Column
Lichaamstaal en poëzieDe vijftigers zijn een begrip: Remco Campert, Lucebert, Bert Schierbeek, om enkele namen te noemen. Zij werden vooral bekend door de bloemlezing van Paul Rodenko: Nieuwe Griffels, Schone Leien. Rodenko schreef ook heel wat geslaagde essays over die toen moderne dichters. Een van de zaken die hij naar voren bracht, was de lichamelijkheid van hun poëzie. Daarmee doelde hij niet op de inhoudelijke kant van de gedichten, maar op het ritme en klankspel dat veel van de verzen kenmerkte. Het meest bekend hierom werd Lucebert. Onlangs verscheen er nog een CD met opnames van zijn voordrachten. Zijn ondoorgrondelijke poëzie wint aan betekenis door de wijze waarop hij de gedichten voordraagt. En op een andere CD heb ik de stem van een jonge Gerrit Kouwenaar. Ik kan er niet vaak genoeg naar luisteren. Lichamelijkheid en poëzie. Vijftigers. En je denkt aan vernieuwing, verjonging, vitaliteit, levensfelheid, en toch ook aan een nieuwe lente. Een half jaar geleden was ik in Utrecht op de Nacht van de Poëzie. Daar was ook Ingmar Heytze, die ik al eens eerder in een column heb opgevoerd. Poëzie als entertainment, als performing art. En hoe kun je performen zonder lichaam? Onmogelijk. Heytze, de belichaming van poëzie. Zoals ieder jaar traden de dichters in de Nacht van de Poëzie op in blokjes, afgewisseld met entre acts. Heytze trad op in hetzelfde blok als Rutger Kopland en Gerrit Kouwenaar. Kan er meer contrast zijn in de Nederlandse poëzie? Kouwenaar een vijftiger die inmiddels een echte tachtiger is, en wiens leeftijd uit zijn lichaam spreekt, uit zijn mond, zijn adem en spraak. Zoals bij Kopland. De lichamelijkheid van de poëzie verwees nu eens niet naar vitaliteit, maar kreeg de betekenis van verval. Uit elkaar vallen van gedichten die niet meer helder konden worden uitgesproken; stokkende adem en zinnen; betekenissen die hierdoor op drift raken. Poëzie als een ruïne van vroegere verzen. Adembenemend breekbaar. Ik vond het prachtig! |
