Column
Tussen psychiater en kunstenaar?Op weg naar een geschiedenis van de creatieve therapie. Deel 1 Dit artikel verscheen eerder in het Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2003,4. Een vervolg op dit onderzoek verschijnt in Actuele Themata uit de Psychomotorische Therapie (april,2004). Samenvatting Dit artikel is een pleidooi voor systematisch bronnenonderzoek om het verleden van de vaktherapie in kaart te brengen. Het artikel bestaat uit twee delen. In deel één beschrijf ik twee publicaties over het verleden van de creatieve therapie, waarin kunstenaar en psychiater tegenover elkaar lijken te staan. Om hun onderlinge verhouding binnen de geschiedenis van de creatieve therapie te kunnen bepalen, is echter meer bronnenonderzoek nodig dan de auteurs van de betreffende publicaties gedaan hebben. Maar welke bronnen staan vaktherapeuten ter beschikking zij over de geschiedenis van hun vak willen schrijven? In de meeste gevallen doet men een beroep op het eigen geheugen, het verenigingsarchief, een boek wat ooit indruk maakte, of baseert men zich op wat toevallig voorhanden is. Zelden maakt men gebruik van historisch onderzoek. In het tweede gedeelte van dit artikel maak ik daarom een begin met een systematische inventarisatie van bronnenmateriaal: de oogst van een halve eeuw schrijven over creatieve therapie. Om de getallen enig reliëf te geven, vergelijk ik de gegevens met publicaties over psychomotorische therapie. Geschiedenis als feest Het komt geregeld voor dat vaktherapeuten in publicaties of lezingen een beroep doen op het verleden. Soms doen zij dit om te laten zien wanneer bepaalde ontwikkelingen begonnen zijn (Probst & Bosscher, 2001), wijzen zij waarschuwend op overeenkomsten tussen vroeger en nu (Benneker, 2003), of dient het verleden het standpunt van de auteur te rechtvaardigen (Wertheim-Cahen, 2003). Meestal houden de auteurs van zulke bijdragen zich verder niet bezig met historisch onderzoek. Veel van die historische exercities hebben dan ook het karakter van gelegenheidsbijdragen, waarvan de jubileumuitgave van het Tijdschrift voor Creatieve Therapie (2002,2) een uitgesproken voorbeeld is. Hierin wordt ruimschoots aandacht besteed aan de geschiedenis van de creatieve therapie. Het verleden als feest. Artikelen van vroeger werden afgestoft en toonbaar gemaakt, aangeprezen om verrassend moderne inzichten of om het prachtige taalgebruik. Lang vergeten boeken werden opnieuw van een recensie voorzien en oud-voorzitters mochten nog eenmaal het woord nemen en vrijuit spreken over de verwikkelingen van de beroepsvereniging. Ook de huidige voorzitter van de NVCT, Gorry Cleven leverde een bijdrage. Samen met Albert Berman reconstrueerde zij de ontstaansgeschiedenis van de beroepsvereniging aan de hand van een klein bronnenonderzoek. En natuurlijk waren er afbeeldingen, plaatjes van vroeger. De redactie en de auteurs hebben zichtbaar plezier gehad in hun historische exercitie. Men heeft veel moeite gedaan het verleden op te zoeken en in beeld te brengen, en is daarin zonder hulp van anderen geslaagd. Zonder hulp, want aan verwijzingen naar historisch onderzoek ontbreekt het. Is er dan geen historisch onderzoek naar creatieve therapie? Is het binnen de creatieve therapie zoals voorheen binnen de psychomotorische therapie, waar historisch onderzoek tot voor kort een schaars goed was (De Lange, 2002 )? Of is men vergeten historisch onderzoekers aan dit feest te laten deelnemen? Want ze zijn er wel degelijk, en het veertigjarige jubileum was een prachtige gelegenheid om deze historici aan het woord te laten. Bijvoorbeeld Leonie de Goei en Katherina Bakker, die zojuist een onderzoek naar de oergrond van de creatieve therapie in Nederland hadden afgerond. Gelukkig is hun onderzoek op schrift gesteld, en kunnen creatief therapeuten hiervan alsnog kennis nemen (Bakker en de Goei, 2002). Het is een van de vele mooie historische boeken over de geschiedenis van de psychiatrie. Dit boek laat zien wat goed historisch onderzoek kan opleveren en daarvan kunnen vaktherapeuten dankbaar gebruik maken als zij de geschiedenis van hun vak in een publicatie of lezing willen verwerken. Die historische kennis is nodig, althans als creatief therapeuten de verschillende visies op de geschiedenis van de creatieve therapie die in omloop zijn in hun onderlinge verhouding willen beoordelen. In het onderstaande zal ik laten zien welke problemen zich kunnen voordoen bij gelegenheidsbijdragen aan de geschiedenis van de vaktherapie aan de hand van twee artikelen over de geschiedenis van de creatieve therapie. Onjuist of summier gebruik van bronnen door de auteurs van die artikelen leidt tot moeilijkheden bij de beoordeling van hun uitspraken over de geschiedenis van de creatieve therapie. Daarna presenteer ik een inventarisatie van bronnenmateriaal waarmee de geschiedenis van de vaktherapie meer gefundeerd in kaart kan worden gebracht. Hierbij beperk ik mij tot een getalsmatige vergelijking van artikelen over psychomotorische therapie en creatieve therapie. Creatief therapeut: psychiater of kunstenaar? Een voorbeeld van twee heel verschillende visies op het verleden, vinden we in de publicaties van Berman & Cleven (2002) en Wertheim-Cahen (2003). Waar Berman & Cleven in hun onderzoek de aandacht vestigen op de rol van wetenschappelijk ingestelde psychiaters bij het ontstaan van het vakgebied, benadrukt Wertheim-Cahen nu juist de rol van de kunstenaars. Helemaal neutraal kan men hier niet tegenover staan, want anders dan Berman & Cleven die hun publicatie in eigen kring presenteren, bereikt Wertheim-Cahen met haar versie van de geschiedenis een veel breder publiek, door deze te publiceren in het MGv. In dat artikel fungeert het verleden bovendien als legitimatie van de huidige identiteit van de creatief therapeut, die, dat zal niemand verbazen, meer op een kunstenaar lijkt dan op een psychiater. Maar waarmee identificeren zich de moderne creatief therapeuten? Voelen zij zich meer kunstenaar of eerder een soort psychotherapeut? Of, om de vraag vanuit een ander perspectief te stellen: waarmee identificeren andere professionals in de GGZ de creatief therapeut: met een intuïtief werkend kunstenaar of met een wetenschappelijk georiënteerde professional? Dergelijke vragen, naar het eigene van het vak en de positie in het beroepenveld van de GGZ zijn vandaag de dag zeer actueel. Het is zeker legitiem om voor de beantwoording van die vragen een beroep op her verleden te doen. Maar wie dat doet, moet zich ook verantwoorden. In het onderstaande zal ik de verschillende visies op de afstamming van de creatief therapeut daarom kort toelichten en nagaan in hoeverre de uitspraken van de auteurs gebaseerd zijn op goed bronnenonderzoek. Eerst het artikel van Wertheim-Cahen (2003). Zij heeft een duidelijk doel met haar artikel in het MGv, een missie: het verdedigen van het eigene van de beeldend-creatieve therapie tegenover de hedendaagse bedreigingen die gevormd worden door de ontwikkelingen in de GGZ. De auteur maakt zich bezorgd over het feit dat de moderne creatief therapeut zich dreigt te verliezen in gebruik van psychologisch en psychiatrisch jargon, en dat zij te weinig bezig zijn met het eigenlijke van de creatieve therapie: het inzetten van de eigen creativiteit en vormgevingscapaciteit van de patiënt (Wertheim-Cahen, 2003, p. 679). Wertheim-Cahen illustreert deze visie aan de hand van casuïstiek uit haar eigen klinische ervaring. Daarnaast zoekt ze voor haar visie aanknopingspunten in het verleden. Het is haar bedoeling om de ontwikkeling van het vakgebied creatieve therapie in de Nederlandse GGZ te beschrijven, en te laten zien dat de hierboven genoemde kern van de creatieve therapie hierin besloten ligt. In haar reconstructie van het verleden komt zij tot bevindingen die in contrast staan met hetgeen Berman & Cleven concluderen op grond van hún onderzoek. 1. Wertheim-Cahen worstelt met de huidige vraag in de GGZ naar 'evidence based' therapeutisch handelen, een vraag waaraan creatief therapeuten nog niet goed kunnen beantwoorden. Creatieve therapie is nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Om de creatieve therapie hiervoor enigszins te excuseren, verwijst zij naar de omstandigheid dat de kern van creatieve therapie niet spoort met modern wetenschappelijk onderzoek(Wertheim-Cahen, 2003, p.667 ). Die kern van het vak, het inzetten van de eigen creativiteit en vormgevingscapaciteit van de patiënt, was in haar ogen al aanwezig bij het ontstaan van de creatieve therapie als vakgebied. Berman & Cleven menen op grond van hun materiaal juist dat het ontstaan van de creatieve therapie in Nederland sterk bevorderd werd door wetenschappelijk ingestelde psychiaters (p.16). Recent onderzoek bevestigt dit standpunt (Bakker & de Goei, 2002). 2. Naar het einde van haar artikel toe merkt Wertheim-Cahen op dat veel beeldend therapeuten zich vooral uitdrukken in psychologische terminologie en dat dit nogal eens ten koste gaat van de kern van hun vakidentiteit. Op grond van het onderzoek van Berman & Cleven lijkt het juist dat het vakgebied tot ontwikkeling kwam dankzij het psychotherapeutisch kader. Zij noemen bijvoorbeeld het werk van de psychiater L. Vaessen, die een belangrijke rol speelde bij de oprichting van de beroepsvereniging en de implementatie van creatieve therapie als onderdeel van de groepstherapie. Hij vervulde deze rol minder als medicus dan als psychotherapeut (Bakker & de Goei, 2002). Juist dit psychotherapeutisch gedachtegoed maakte dat Vaessen een onderscheid ging maken tussen doen alleen zoals in arbeid, bezigheid en culturele activiteiten, en de creatieve en expressieve therapie. Hoe nu verder met zo'n kleurrijk verleden waarin verschillende figuren een hoofdrol krijgen toebedeeld? Werd de basis van de creatieve therapie nu gelegd door intuïtief werkende kunstenaars, of door wetenschappelijk georiënteerde psychiaters? Het is in zo'n situatie raadzaam eerst maar eens het bronnenmateriaal van de auteurs te beoordelen: rechtvaardigen de gebruikte bronnen de uitspraken die de auteurs over het verleden doen? Het materiaal waarop Wertheim-Cahen zich baseert bestaat voor een deel uit buitenlandse literatuur waarin de verhouding kunst en psychiatrie uitvoerig aan bod komt, maar waarin de ontwikkelingen in Nederland niet op de voet gevolgd worden. En juist die Nederlandse ontwikkeling van het vakgebied wil zij in beeld brengen. Het bronnenmateriaal waarop Wertheim-Cahen zich baseert is in het licht van haar eigen probleemstelling niet toereikend, en biedt dus geen houvast bij het antwoord op de vraag welke rol de kunstenaars speelden bij de ontwikkeling van de creatieve therapie. Waarop baseren Berman & Cleven zich, voor hun stelling dat psychiaters aan de wieg stonden van de creatieve therapie in Nederland? Zij maken gebruik van een aantal verslagen van studiedagen van de beroepsvereniging in wording, en concluderen op grond daarvan de centrale rol van psychiaters voor het ontstaan van de creatieve therapie. Hun uitspraak over de stamvaders van de creatieve therapie lijkt mij dan ook beter gefundeerd dan de uitspraken van Wertheim-Cahen. Maar dit wil nog niet zeggen dat kunstenaars geen rol speelden in de eerste jaren van de creatieve therapie. Het bronnenmateriaal dat Berman & Cleven gebruiken is zo summier, dat we op grond hiervan niet kunnen beslissen hoe kunstenaar, psychotherapeut en psychiater zich tot elkaar verhielden binnen die vroege ontwikkeling van het vakgebied. Hiervoor is meer bronnenonderzoek nodig dan de auteurs presenteren. Het is op dit punt dat de geschiedenis als feest moet plaatsmaken voor het ambacht van historisch onderzoek. In het onderstaande inventariseer ik bronnenmateriaal voor een geschiedenis van de creatieve therapie. Die gegevens maken deel uit van mijn onderzoek naar de geschiedenis van de vaktherapieën: psychomotorische therapie en creatieve therapie. Ik beperk mij tot een getalsmatige vergelijking, al ga ik hier en daar wat dieper in op de inhoud van de publicaties. In toekomstige publicaties zal ik deze inventaris inhoudelijk beschrijven en interpreteren. Einde deel 1. Deel volgt in mei. Referenties Bakker, C. Th. & L. de Goei (2002) Een bron van zorg en goede werken. Geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg in Noord-Holland-Noord. Amsterdam: SUN. Benneker, R. (2003) The only way is up. Een brutale blik op de toekomst van de vaktherapieën. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 1, 27-32. Berman, A. & G. Cleven (2002). Van 'Kunst in het wit' naar Vaktherapie. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2, 13-16. Drift, H. van der (1955). Lekenspel en toneelspel als therapie in de psychiatrische inrichting. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 85-93. Haans, T., N. van Rhijn & E. Tan (1987). Begeleid toneel: theaterteksten therapeutisch gebruikt. Tijdschrift voor Psychotherapie, 20-31. Hattum, M. van & G. Hutschemaekers (2000a). Vakwerk. Producttyperingen van vaktherapeuten voor het programma stemminsstoornissen. Utrecht: Trimbos Instituut. Hut, L.J. (1949). Psychodrama. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 245-249. Lange, J. de (2003b). Nomaden in de GGZ. PMT Info Site, column, 15-6-2003 Lange, J. de (2003a). Lichaamsgerichte therapie en amateurtoneel, PMT Info Site column 1-6-2003. Lange, J. de (2002). Tussen spreekkamer en bewegingsruimte. Lichaamsgerichte therapie in de Nederlandse GGZ. Bundel Studiedag Beweging, klank en verbeelding in de GGZ, 14 juni 2001, p. 27-31. Amsterdam: Rino Noord-Holland. Neijmeijer, L., J. van de Wijgert & G. Hutschemaekers (1996). Beroep: vaktherapeut/begeleider. Utrecht: NcGv. Probst, M. & R. Bosscher (2001). Psychomotorische therapie in Nederland en Vlaanderen. In: Probst, M. & R.J. Bosscher (Red.) Psychomotorische therapie in ontwikkeling. Zeist: Cure & Care. Vaessen, M.L.J. (1952) De behandeling van een lijder aan Ereuthophobie. Folia Psychiatrica, Neurologica et Neurochirurgica Neerlandica, p.421-430. Vaessen, M.L.J. (1955a) Creatieve diagnostiek en therapie. Voordrachtenreeks van de Nederlandse Psychiaters in Dienstverband. Vaessen, M.L.J. (1955b) Een afdeling creatieve therapie in het kader van de psychotherapie in de psychiatrische inrichting. MGv, 133- 142. Vaessen, M.L.J. (1957a) Diagnostic and therapeutic value of creative activities in the mental hospital. Folia Psychiatrica, Neurologica et Neurochirurgica Neerlandica Vaessen, M.L.J. (1957b) Een psychische benadering van een 'lichamelijke' kuur. Tijdschrift voor Ziekenverpleging.354-359. Vaessen, M.L.J. (1957c) Over de psychische aspecten van de insuline coma therapie. (twee delen). Alkmaar: P.O.A. Vaessen, M.L.J. (1961) The Icarus Complex. Folia Psychiatrica, Neurologica et Neurochirurgica Neerlandica, 285-304 Vaessen, M.L.J. (1962) Geen kunst maar expressie. Over kreatieve aktiviteiten van psychisch gestoorden. Voordrachtenreeks van de Nederlandse Psychiaters in Dienstverband, 16- 22 Waals, H.G. van den, (1946). Groeptherapie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 1. Wertheim-Cahen, T. (2003). Een brug tussen intuïtie en cognitie. Veertig jaar beeldend creatieve therapie in de Nederlandse GGZ. Maandblad voor Geestelijke volksgezondheid, 58, 666-682. |
