Column



Door Jan de Lange

07 2004

Tussen psychiater en kunstenaar? Een geschiedenis van de creatieve therapie in 200 (en twee) publicaties. Deel 4 (slot)


Nadere analyse van de verhouding tussen publicaties over psychomotorische therapie en creatieve therapie.
Zonder op de inhoud in te gaan, kunnen de in de eerdere delen van dit artikel genoemde getallen nader gepreciseerd worden. Zoals beschreven, vond ik 100 keer een treffer creatieve therapie en eenzelfde aantal treffers voor de psychomotorische therapie. Nog eens 100 keer kwamen de vaktherapieën gezamenlijk aan bod. Maar wat hielden die treffers nu feitelijk in?
In mijn onderzoek heb ik een onderverdeling gemaakt in artikelen waarin de vaktherapie als hoofdonderwerp aan bod komt, waarin zij als nevenonderwerp wordt behandeld of waarin sprake is van een vermelding. De getallen zien er dan als volgt uit.
Creatieve therapie komt 76 keer voor als hoofdartikel, in 23 gevallen betreft het een publicatie waarin de creatieve therapie een bijrol speelt en in 6 gevallen gaat het om een vermelding. Laten we dat eens vergelijken met de PMT.

vaktherapie hoofdonderwerp nevenonderwerp vermeldingtotaal
CT 7523 6104
PMT 4539 33117
Totaal 12062 39221

Figuur 7

De creatieve therapie figureert aanzienlijk vaker als hoofdonderwerp dan de psychomotorische therapie, maar komt veel minder vaak als nevenonderwerp in een artikel aan bod. Nog veel minder frequent wordt er naar verwezen.
Voorzichtigheid is geboden bij de waardering van deze gegevens. Artikelen waarin de creatieve therapie geen hoofdzaak is, zijn niet automatisch onbeduidend. Letten we bijvoorbeeld op vermeldingen. Een vermelding houdt in dat auteurs die een onderwerp behandelen dat niet over vaktherapie gaat (maar bijvoorbeeld over een ziektebeeld), het binnen de context van hun betoog nodig achten om te verwijzen naar creatieve therapie of psychomotorische therapie. We zien dat professionals in de GGZ veel vaker naar psychomotorische therapie verwijzen dan naar creatieve therapie. Het is interessant om na te gaan hoe dat komt. Bijna altijd zijn deze publicaties van de hand van andere disciplines dan de vaktherapieën. We leren van dit soort publicaties dus hoe andere professionals de vaktherapie zien. Dat is waardevolle feedback.

Creatieve therapie en psychodrama.
Het artikel van de psychiater Endtz uit 1949, over de creatieve therapie beeldend voor schizofrenen is stellig een van de eerste naoorlogse artikelen waarin het beeldend werken binnen de psychiatrische kliniek wordt beschreven als een vorm van (psycho)therapie. Maar er vonden ook ontwikkelingen op andere terreinen plaats, zoals het gebruik van technieken uit het drama, later onderdeel van de creatieve therapie. Deze werden soms als vorm van psychodrama beschreven (Hut, 1949), maar ook wel als toneelspel (Waals, 1946; Van der Drift, 1955; Haans, 1987). In veel publicaties wordt psychodrama als vorm van psychotherapie strikt onderscheiden van de creatieve therapie drama. Anderzijds komt men in de literatuur weer heel wat varianten op het psychodrama tegen, bijvoorbeeld het gebruik van rollenspel bij sociale vaardighedentraining. Ondanks vele praktische overeenkomsten tussen de verschillende methoden wordt in publicaties zelden naar elkaar verwezen. Deze therapieën worden door uiteenlopende disciplines gegeven: psychotherapeuten, psychiaters, psychodramaturgen, B-verpleegkundigen en creatief therapeuten drama. Omwille van die praktische raakvlakken heb ik publicaties over alle aan drama verwante werkvormen vooralsnog in mijn onderzoek betrokken (PSD).
Bekijken we de 75 hoofdartikelen van de creatieve therapie, dan tellen we 29 artikelen over PSD en 46 over creatieve therapie in engere zin. We kunnen dus concluderen dat het aantal hoofdartikelen over creatieve therapie weliswaar het aantal over psychomotorische therapie overtreft, maar als we de treffers PSD hiervan aftrekken, ontstaat er weer een evenwicht: namelijk 46 CT tegenover 45 van de PMT.
Hoe verhoudt het aantal puclicaties over PSD zich tot publicaties uit de verschillende secties van de creatieve therapie: drama, beeldend en muziek? In figuur acht ziet u de totalen.

sectiebeeldendmuziekcombidramasubtotaal CTPSDtotaal
Hoofdartikelen
1815 93 463075

Figuur 8



De treffers PSD blijken echter niet evenredig over de tijd verdeeld zijn. Het aantal publicaties over creatieve therapie werd tot aan 1971 nog niet sterk beïnvloed door het aantal artikelen over psychodrama, sociodrama en verwante werkwijzen. Maar vanaf halverwege de jaren zeventig veranderde dit. Deze bevindingen sluiten aan bij hetgeen Berman & Cleven schrijven over de veranderende samenstelling van de beroepsvereniging vanaf de jaren zeventig. Zoals we gezien hebben zijn deze veranderingen terug te zien in de toename van het aantal publicaties over creatieve therapie. Een nadere analyse van de artikelen laat ook een verandering in de inhoud van die bijdragen zien. In onderstaande figuur ziet u hoe vervolgens hoe de verhouding tussen publicaties over de verschillende secties vanaf de jaren zeventig veranderde.


Figuur 9


In figuur negen ziet u van boven naar onder de percentages:
PSD= psychodrama en verwante werkwijzen
C= combinatie van creatieve werkvormen
D= drama therapie
M = muziektherapie
B= Beeldende therapie


De verhoudingen tussen de verschillende 'secties' waarover geschreven wordt is in de tweede helft van de onderzochte periode, dus vanaf 1974, anders dan in de periode ervoor. Er werd minder aandacht besteed aan creatieve therapie beeldend, maar weer meer aan muziektherapie, terwijl meer dan de helft van de bijdragen gerelateerd is aan het veld van psycho- en sociodrama. Weerspiegelt deze verhouding nu die van de verschillende secties beeldend, muziek en drama? In het onderzoek naar creatief therapeuten in Nederland van Neijmeijer, van de Wijgert en Hutschemaekers was die verhouding: beeldend therapeuten 530, muziektherapeuten 300, dramatherapeuten 150 (Neijmijer e.a.,1996 p. 60). Creatieve therapie drama lijkt dus ondervertegenwoordigd in het bronnenmateriaal. Zulke getallen geven aanleiding tot vragen: hoe komt het dat er zo weinig over creatieve therapie drama geschreven is in de door mij onderzochte tijdschriften? Hangt dat samen met de omvang van de sectie, of met de aard van de professionals? Of gaan dramatherapeuten, als ze eenmaal publiceren over psychodrama schrijven, of schrijven ze vooral voor eigen publiek?

Met deze vragen op het gebied van de creatieve therapie zijn we aangekomen bij het einde van dit artikel. Mijn hoofddoel was immers om een eerste inventarisatie van bronnen voor een geschiedenis van de creatieve te presenteren, en enkele vergelijkingen te maken met publicaties over psychomotorische therapie. Samenvattend kan hierover gezegd worden dat ongeveer evenveel publicaties over psychomotorische therapie, creatieve therapie of een combinatie van beiden gingen (100:100:100). Vanaf de jaren zeventig is een duidelijke toename van publicaties te zien, maar naar het eind van de jaren negentig verschenen er weer minder publicaties over vaktherapie. Een nadere analyse toonde aan dat die afname vooral te wijten is aan een afname aan publicaties over creatieve therapie, een effect dat versterkt wordt wanneer we artikelen over aan drama verwante werkvormen niet meetellen. Kijken we naar de tijdschriften waarin gepubliceerd werd, dan valt op dat het MGv het beste onderkomen biedt. De overige tijdschriften zijn minder gaan publiceren over vaktherapie.
De beroepsverenigingen kunnen hun eigen conclusies trekken en hun leden al dan niet aansporen tot publiceren op vreemde bodem.

Besluit
In dit artikel heb ik betoogd dat historisch onderzoek een bijdrage kan leveren aan publicaties van vaktherapeuten over de geschiedenis van de creatieve therapie of psychomotorische therapie. Immers, vaktherapeuten doen om tal van redenen een beroep op die geschiedenis, maar vaak zonder dat zij daartoe de middelen hebben.
Wat vooral ontbreekt is een inventarisatie en analyse van bronnenmateriaal. In de regel maken de auteurs die naar de geschiedenis van de vaktherapie verwijzen gebruik van materiaal dat voorhanden is, zoals artikelen of boeken die reeds een plekje in de canon verworven hebben, het eigen vaktijdschrift, of interviews met betrokkenen. Met dergelijk bronnenmateriaal zelf is niets mis, maar in plaats van een intuïtief gebruik van zulk materiaal, pleit ik voor een cognitieve reconstructie van het verleden op grond van een systematisch bronnenonderzoek.
Dergelijk onderzoek houdt een aantal stappen in: na een systematische inventarisatie van het beschikbare materiaal moeten de data worden geïnterpreteerd. Dit behelst meer dan alleen het weergeven van de inhoudvan het materiaal. Bronnenmateriaal dient altijd te worden geïnterpreteerd in het licht van de aard van het materiaal en de context waarin de beschreven ontwikkelingen plaatsvonden. Om een voorbeeld te geven van de invloed van de aard van het bronnenmateriaal op de gegevens: het valt niet te verwachten dat de bijdrage van de kunstenaars aan de ontwikkeling van het vakgebied, zoals beschreven door Wertheim-Cahen, goed is terug te vinden in de door mij onderzochte GGZ-vaktijdschriften. Deze periodieken zijn immers bij uitstek het terrein van de wetenschappelijke professionals. De betrokkenheid van de wetenschappelijk ingestelde psychiaters op de creatieve therapie kan hier duidelijk uit blijken, maar of in deze tijdschriften ook kunstenaars aan het woord komen is maar zeer de vraag. Het gevonden materiaal geeft dus een vertekening van de geschiedenis. Om de kunstenaars in beeld te brengen is men bijvoorbeeld aangewezen op het eigen vaktijdschrift of de interviews zoals Wertheim-Cahen heeft gemaakt. Wat verder van huis zijn er periodieken als het blad 'Speltribune' of 'Samenspe'l (De Lange, 2003,a;b). Juist die verschillende perspectieven bij elkaar geven een beeld van de geschiedenis van de creatieve therapie, een geschiedenis waarin kunstenaar, psychotherapeut en psychiater allemaal een bijzondere rol vervullen.


* * *

Referenties
Bakker, C. Th. & L. de Goei (2002) Een bron van zorg en goede werken. Geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg in Noord-Holland-Noord. Amsterdam: SUN.
Benneker, R. (2003) The only way is up. Een brutale blik op de toekomst van de vaktherapieën. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 1, 27-32.
Berman, A. & G. Cleven (2002). Van 'Kunst in het wit' naar Vaktherapie. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2, 13-16.
Drift, H. van der (1955). Lekenspel en toneelspel als therapie in de psychiatrische inrichting. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 85-93.
Haans, T., N. van Rhijn & E. Tan (1987). Begeleid toneel: theaterteksten therapeutisch gebruikt. Tijdschrift voor Psychotherapie, 20-31.
Hattum, M. van & G. Hutschemaekers (2000a). Vakwerk. Producttyperingen van vaktherapeuten voor het programma stemminsstoornissen. Utrecht: Trimbos Instituut.
Hut, L.J. (1949). Psychodrama. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 245-249.
Lange, J. de (2003b). Nomaden in de GGZ. PMT Info Site, column, 15-6-2003
Lange, J. de (2003a). Lichaamsgerichte therapie en amateurtoneel, PMT Info Site column 1-6-2003.
Lange, J. de (2002). Tussen spreekkamer en bewegingsruimte. Lichaamsgerichte therapie in de Nederlandse GGZ. Bundel Studiedag Beweging, klank en verbeelding in de GGZ, 14 juni 2001, p. 27-31. Amsterdam: Rino Noord-Holland.
Neijmeijer, L., J. van de Wijgert & G. Hutschemaekers (1996). Beroep: vaktherapeut/begeleider. Utrecht: NcGv.
Probst, M. & R. Bosscher (2001). Psychomotorische therapie in Nederland en Vlaanderen. In: Probst, M. & R.J. Bosscher (Red.) Psychomotorische therapie in ontwikkeling. Zeist: Cure & Care.
Vaessen, M.L.J. (1952) De behandeling van een lijder aan Ereuthophobie. Folia Psychiatrica, Neurologica et Neurochirurgica Neerlandica, p.421-430.
Vaessen, M.L.J. (1955a) Creatieve diagnostiek en therapie. Voordrachtenreeks van de Nederlandse Psychiaters in Dienstverband.
Vaessen, M.L.J. (1955b) Een afdeling creatieve therapie in het kader van de psychotherapie in de psychiatrische inrichting. MGv, 133- 142.
Vaessen, M.L.J. (1957a) Diagnostic and therapeutic value of creative activities in the mental hospital. Folia Psychiatrica, Neurologica et Neurochirurgica Neerlandica
Vaessen, M.L.J. (1957b) Een psychische benadering van een 'lichamelijke' kuur. Tijdschrift voor Ziekenverpleging.354-359.
Vaessen, M.L.J. (1957c) Over de psychische aspecten van de insuline coma therapie. (twee delen). Alkmaar: P.O.A.
Vaessen, M.L.J. (1961) The Icarus Complex. Folia Psychiatrica, Neurologica et Neurochirurgica Neerlandica, 285-304
Vaessen, M.L.J. (1962) Geen kunst maar expressie. Over kreatieve aktiviteiten van psychisch gestoorden. Voordrachtenreeks van de Nederlandse Psychiaters in Dienstverband, 16- 22
Waals, H.G. van den, (1946). Groeptherapie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 1.
Wertheim-Cahen, T. (2003). Een brug tussen intuïtie en cognitie. Veertig jaar beeldend creatieve therapie in de Nederlandse GGZ. Maandblad voor Geestelijke volksgezondheid, 58, 666-682.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie