Gastauteur PMT Info Site

september 2000



Vaktherapeuten: wat kan en wat moet?


J.L.M. Delhaas


Het zal je maar gebeuren: op verzoek van de verantwoordelijke beleidspsychiater (is dat een beroep?) schrijf je een korte notitie over de bijdrage van je vak aan aan de opname- en observatieafdeling van een categoraal ziekenhuis. Je raadpleegt daarvoor je collega's en je maakt dankbaar gebruik van eerste concepten van disciplinegebonden modulen. Maar dan verschijnt Beroepen in beweging en krijg je te boren dat het bonte amalgaam van beroepen kan worden gereduceerd tot een eenvoudige structuur. De oude ideologie van multidisciplinaire samenwerking staat ter discussie, evenals de opvatting dat iedere beroepsgroep een unieke en gelijkwaardige bijdrage aan de zorg levert. Die zorg moet eenvoudiger en transparanter gemaakt worden. Dat betekent minder professionals. De eerste directeur die openlijk verklaart dat dit voor haar onder meer inhoudt dat het aantal vaktherapeuten kan verminderen, meldt zich al op de conferentie waarop het onderzoeksrapport Wordt aangeboden.

Ik kan mij voorstellen dat de metastudie Beroepen in beweging bij psychomotorisch en creatief therapeuten verwarring en twijfel zaait. Want nog voordat de voorwaarden en criteria voor een rationale discussie over een toekomstige beroepsordening zijn opgesteld gaan enkele conclusies en daarop gebaseerde standpunten al over de kennelijk afgeschreven multidisciplinaire behandeling. Wat is in deze verwarring en twijfel de uitdaging en hoe mobiliseren de vaktherapeut en zijn beroepsverenigingen in deze fase hun kracht?

De metastudie
Beroepen in beweging is inmiddels al door velen geprezen. Ik, die twee keer aan een begeleidingscommissie mocht deelnemen, sluit me daar van harte bij aan. Het sluit een onderzoeksperiode af en opent een nieuw tijdperk van discussie in en tussen beroepsgroepen in de GGZ. De vragen die we aan elkaar gaan stellen, zullen afgeleid zijn van de hoofdvraag: welke beroepsbeoefenaar richt zich op welke taken en met welke deskundigheid? Aan deze spannende vraag voegt het rapport extra spanning toe, mede door de gekozen onderzoeksinstrumenten en de wijze van rapporteren. Op grond van kwalitatieve data komen de auteurs in het derde deel tot allerlei interpretaties en het suggereren van: beroepsinhoudelijke trends. De vrijheid die zij zich veroorloven om die transfer te maken, verdient naast bewondering ook kritiek.
Ten eerste. Als blijkt dat een rationele discussie over functies, kernkwaliteiten en bevoegdheden van beroepsbeoefenaren door beleidsmakers, zorgverzekeraars vertaald wordt in kostenreductie, efficiency en doel matigheid, schiet mijns insziens vooral het derde deel van de metastudie aan zijn doel voorbij. Dan krijgt de zorgverzekeraar gelijk die zei dat 'discussie over een beroepsstructuur in de collectief gefinancieerde GGZ wellicht onbedoeld leidt tot een discussie over de verschillende doelgroepen'. En daaraan toegevoegd natuurlijk een discussie over de verdeling van geld over de beroepsgroepen. Want wie behandelt wie?
In de tweede plaats vind ik het rapport erg ambivalent ten aanzien van de vaktherapeuten. Hierdoor ontstaat een warrig beeld. Ik geef enkele voorbeelden. In het derde deel blijkt dat psychotherapeuten, GZ-psychologen en met name psycholoog-psychotherapeuten (verwijzers?) de bijdrage van vaktherapeuten aan het zorgproces laag waarderen. Het aandeel van deze therapeuten in beoordeling en behandeling is volgens hen klein (maar wel herkenbaar!). Vaktherapeuten richten zich namelijk op specifieke onderdelen van het zorgproces bij specifieke doelgroepen in de transmurale zorg.
Elders blijkt dat de onderzoeksresultaten slechts in beperkte mate aanleiding geven te veronderstellen dat de vaktherapeuten een nieuwe dimensie toevoegen aan het beoordelingsproces (observatie en diagnostiek). Dat is even slikken voor vaktherapeuten die menen eigen observatie- en indicatieinstrumentaria te hebben. 'Maar', staat er even later, omdat ze in hun beoordeling van de bijdrage van de andere beroepsgroepen op dit punt weinig rekening houden met de voorafgaande orde tussen hebben vaktherapeuten een 'eigen karakter met een duidelijk toegevoegde waarde'.
En ten derde: volgens de onderzoekers is er maar in zeer beperkte mate sprake van een eigen doelgroep of van een eigen indicatiegebied voor vaktherapeuten. In het werkveld bestaat veel onduidelijkheid over de indicatiecriteria, zelfs onder de vaktherapeuten zelf. Maar -en daar komt de keerzijde van de.medaille weer - bij het doorgevoerde beoordelings-experiment (zie deel drie) baseren vaktherapeuten meer dan gemiddeld hun oordeel op patiëntkenmerken. Hier ligt in het rapport een ernstig verwijt richting de (overige) beroepsgroepen. Menige beroepsbeoefenaar vindt namelijk zijn.bijdrage aan de zorg van belang ongeacht het 'vignet' van de patiënt. Maar voor de vaktherapeuten geldt dat gelukkig niet.
Kortom het is niet uniek wat de vaktherapeut doet, maar wel apart; de
bijdrage aan de GGZ is klein maar fijn; de behandelbijdrage is niet echt nodig maar ook niet overbodig; het stelt allemaal niet veel voor, maar voegt wel wat toe. En daarmee rijst de vraag: wat nu te doen?

Vervolgonderzoek
In december 1998 is het Trimbos-instituut begonnen met een vervolgonderzoek onder vaktherapeuten. Onderzocht wordt de inhoudelijke inbreng van de twee belangrijkste typen vaktherapeuten in de GGZ, te weten de psychomotorisch en creatief therapeuten. Centraal staat een inventarisatie van diagnostiek, indicatiestelling, behandeldoelen en behandeltechnieken. Daarbij gaat het zowel om gemeenschappelijke als om verschillende, al of niet complementaire kenmerken van beide beroepsgroepen. Het onderzoek beoogt een bijdrage te leveren aan het ontwikkelen van de 'body of knowledge' van de genoemde therapeuten. Doel is onder meer dat voor beide beroepsgroepen zelf, alsook voor hulpverleners uit andere disciplines, meer helderheid ontstaat over het eigene en gemeenschappelijke van iedere beroepsgroep in termen van diagnostiek, indicatiestelling, behandeldoelen en behandelmethoden. Tegen de achtergrond van de metastudie Beroepen in beweging komt, lijkt me, dit onderzoek op een goed moment. Het zal immers menig vaktherapeut in beweging brengen en de herkenbaarheid van de vaktherapeuten vergroten. Het zal mij niet verbazen als inhoudelijke maar ook strategische overwegingen ertoe leiden dat er verschuivingen gaan optreden in de organisatorische positie van de vaktherapeut in de GGZ. Nu nog werkt ongeveer 5 procent van de vaktherapeuten intramuraal. Er zijn echter goede redenen om te overwegen het eigen beperkte, maar wel duidelijke aandeel in de beoordeling van de transmurale en goed behandelbare extramurale patiënt te vergroten. Misschien zou dit hun professionele profilering ten goede komen. Vaktherapeuten zouden voor zichzelf en voor anderen explicieter moeten maken aan Welke patiënten ze welk therapie-aanbod kunnen doen. Daarbij is het ook zaak de grenzen van het eigen professioneel handelen te omschrijven, waardoor duidelijker wordt welke contraindicaties van toepassing zijn en voor welke doelgroep de een of andere vorm van vaktherapie bij uitstek gepast is. Tegen de achtergrond van de structurering van het post-initiele onderwijs voor creatief therapeuten, alsook de herstructurering daarvan voor de psychomotorisch therapeut, is nadenken over de beste marketingstrategie naar mijn mening geen overbodige luxe. Moeten vaktherapeuten doordringen in alle bestaande marktsegmenten of moeten zij zich beperkingen opleggen en verder specialiseren. Ik zou voor het laatste kiezen.

Beroepenstructuur in de GGZ
De metastudie rekent dus een aantal beroepsgroepen met specifieke therapeutische vaardigheden op het gebied van de GGZ tot het adjunctief (aanvullend) cluster. Bij deze beroepsgroepen gaat het in de regel om specifieke therapieën voor specifieke groepen. Wat wordt bedoeld met 'specifiek'? En welk beeld roept de herhaling van dit woord op? Een mogelijkheid is dat door dit woordgebruik een heel 'zuinig, beeld van de vaktherapeuten wordt gegeven. Een beeld dat in meerdere gevallen onrecht doet aan de gevestigde en gewaardeerde positie en bijdrage van vaktherapeuten aan beoordeling en behandeling. De klank van het woord 'specifiek' en de herhaling van dit woord binnen een zin kan gemakkelijk suggereren dat de vaktherapeut soms, kortdurend, in een bijzonder geval, op incidentele indicatie een behandelaanbod doet. De hoofdstukken 4 en 5 uit de deelstudie Beroep.- vaktherapeuten/vakbegeleider schetsen echter een heel ander beeld (Neijmeijer, Van de Wijgert & Hutschemaekers, 1996). Betekent 'specifiek' dan misschien dat vaktherapeuten specialisten zijn? Die suggestie wijst ons de weg naar een basisberoep vaktherapeut met de specialismen creatieve therapie en psychomotorische therapie. Het is dan wel de vraag wat de basisberoepsbeoefenaar voor taken verricht en wat deze specialisten aanvullend te bieden hebben, voor wie (doelgroepen), op welke manier (methoden) en met welke bevoegdheid?


referenties:
Neijmeijer, L; J. van de Wijgert, & G. Hutschemaekers (1996) Beroep: vaktherapeut/vakbegeleider. Een verkennend onderzoek naar persoon, werk en werkplek van vaktherapeuten en vakbegeleiders in de gezondheidszorg. Utrecht: NcGv
Neijmeijer, L. & G. Hutschemaekers (1998) Beroepen in Beweging. Professionalisering en de grenzen van een multidisciplinaire GGZ. Utrecht: Trimbos-instituut..

J.M.L. Delhaas is psychomotorisch therapeut en diensthoofd Vaktherapieën van Groot Batelaar te Lunteren. Eerder was hij secretaris/beleidsmedewerker van de Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie. Zijn bijdrage verscheen eerder in het MGv,(1999-4). De redactie van de PMT Info Site is de auteur erkentelijk voor zijn toestemming om het artikel op de PMT Info Site te mogen publiceren.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie