Gastauteur PMT Info Site
Het lichaam in de psychologie (Deel 1)
Afstand en nabijheid van psychomotorisch therapeuten en psychologen
Delhaas, J.L.M.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het MGv, 56, 2001, 3, 250-255
Deze bijdrage is geschreven naar aanleiding van het congres 'Het lichaam in de psychologie' in oktober 1999 georganiseerd door de NIP-sectie in oprichting van Lichaamsgericht Werkende Psychologen. De behoefte aan een reactie hierop nam in hoge mate toe nadat het NCRV-.programma 'Heilig Vuur' in Maart 2000 het werk van deze nieuwe beroepsgroep nader belichtte, waarbij gesproken werd van erkenning door het Nip en bekostiging vanuit de AWBZ.
Om kennis te maken met het vakgebied van de 'lichaamsgerichte psychotherapie en begeleiding, bezochten in oktober 1999 zo'n 250 hulpverleners een congres aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ik denk dat hiervoor een goede locatie was gekozen, omdat de VU de plek is waar de psychologie, fenomenologie en praktische toepassing van bewegingsgedrag en lijfelijkheid in en buiten de hulpverlening reeds lang worden onderzocht en gedoceerd. Ik mocht er zelf van 1979 tot 1985 studeren.
Het congres maakte mij om twee redenen boos. In de eerste plaats vanwege datgene wat er op de congresdag inhoudelijk werd geboden en gepretendeerd. Vertaald in een voor dit artikel bruikbare vraag: is er een eigen vakgebied van lichaamsgerichte psychologie? In de tweede plaats werd ik boos om beroepspolitieke redenen, namelijk vanwege de positie die deze psychologen willen innemen op de 'markt van welzijn (volksgezondheid) en geluk'. Waar is deze sectie i.o. in het GGZ-beroepenveld mee bezig?.
Laat ik beginnen met de inhoud. Naar eigen zeggen (Baardman, 1999) bedienen lichaamsgerichte psychologen zich op dit moment van een bonte waaier aan methoden, technieken en deeltechnieken afkomstig uit 'een oerwoud aan scholen'. Op de vrije markt dreigt wildgroei. De perceptie van gebruikers (en ik voeg daar aan toe: collega-hulpverleners) dat het hierbij gaat om alternatieve' therapieën, is nauwelijks te beïnvloeden. Ook onlangs verwoordde de presentatrice van het NCRV-programma 'Heilig Vuur' deze opinie. Zij vroeg de uitgenodigde gast Aleid Schilder of deze zich de publieke verbazing over 'masseren, strelen en betasten' niet enigszins kon voorstellen? Mevrouw Schilder reageerde hierop onder andere door te zinspelen op angst voor het onbekende...
Beeldvorming: een bonte waaier aan methoden
Er schijnen wel degelijk overeenkomsten tussen de diverse methoden en technieken te zijn. Zo kan men de opvatting horen dat elke methode uit de 'bonte waaier' op enigerlei wijze een vorm van 'rogeriaanse focussing' gebruikt (maar vaak onder een andere titel); dat elke methode uitgaat van een integrale samenhang van het mentale en emotionele; en dat elke methode uitgaat van her lichaam als 'archief', waarin spier- maar ook bindweefselspanning als gestolde emotie kan worden opgevat. Ik wil echter de lezer van dit blad niet de titels onthouden van de diverse workshops tijdens het congres Mijns inziens geven deze, ondanks de gesuggereerde onderlinge verwantschap van de methoden en technieken, reden tot verbazing en gereserveerdheid ten opzichte van zoveel diversiteit. De workshops handelden namelijk over 'bio-energetica, stress en burnout'; 'psychotherapie volgens de methode Pesso'; 'stress-management vanuit Zijnsgeoriënteerde psychotherapie'; 'fragmenten van een Postural Integration sessie'; 'je lichaam als gids (NLP)'; 'bodynamic work'; 'het lichaam van de psycholoog'; 'lichamelijke aspecten van beperkende gedachte-patronen'; verkenning van angst en agressie via fysieke oefeningen'; 'dieptepsychologische lichaamstherapie'; 'hoe raak ik mijn cliënt aan?' (haptotherapie); 'Spreken met mijn lijf' (holistic pulsing); 'video-gestalttherapie en Goodfieldtherapie'.
Nu is beeldvorming per definitie ingewikkeld, gelaagd en tegenstrijdig. Maar ik vind dat deze opsomming van titels toch het beeld bevestigt van een willekeurige, modieuze en nauwelijks met elkaar te vergelijken verzameling aan methoden en technieken. ik vraag me bijvoorbeeld ernstig af of je de 'Pesso Psychomotor therapy' en dus ook de Nederlandse Vereniging voor PessoTherapie en haar opleidingstraject, recht doet door deze methode te rekenen tot hetzelfde domein van lichaamsgerichte psychologie als waartoe de Holistic Pulsing wordt gerekend. En wat vinden psychomotorisch therapeuten die zich bekwaamd hebben in de haptonomie voorafgaand aan de PMT-opleiding, danwel erna - van bovengenoemd cluster van lichaamsgerichte methoden en technieken?
Een positief hoogtepunt op deze dag vormde de bijdrage van prof M. Leijssen, die een continuum van lichaamsgerichte interventies schetste en deze vanuit de ethiek becommentarieerde (Leijssen, 2001). Het continuum liep van verbale opmerkingen over lichamelijke signalen, via verbale en beweeglijke interventies door de therapeut, naar aanraken, en van 'cathartische holding' tot seksuele aanraking. Krachtig pleitte zij voor scholing in gesprek, het leggen van een relatie en delicate omgang met afstand en nabijheid. Daarnaast bestreed zij de ongenuanceerde opvatting dat traumatische lijfervaringen per definitie herbeleefd moeten worden. En even stellig poneerde zij de stelling, in reactie op diegenen die van mening zijn dat bepaalde seksuele aanrakingen wel in therapie kunnen plaatsvinden, dat 'nood in die zin niet gelenigd moet worden in de therapie maar wel gevoeld moet worden en dat de kracht hervonden moet worden voor oplossingen buiten de therapeut-cliënt relatie.' Ik memoreer deze bijdrage aan her congres vooral omdat volgens deze lezing een aandachtige beoordeling van alle methoden en technieken wel eens voor een schifting in de bonte waaier aan methoden en technieken zou kunnen zorgen. Ik denk daarbij in her bijzonder aan de beroepsopleiding en her axioma van de noodzakelijke herbeleving van trauma's.
Einde deel 1. Slot volgt in februari.
Literatuur
Baardman, 1. (1999) Her lichaam in de psychotherapie. De Psycholoog, 34, 473-476.
Hutschemaekers, G.i & L. Neijmeijer (1999). Beroepen in beweging. Houten / Utrecht-. Bohn Stafleu Van Loghum / Trimbos-instituut.
Klis, P. van der (1999). De grenzen van psychomotorische therapie: over rekkelijken en preciezen. Beweging en Hulpverlening, 16, 208 221.
Leijssen, M (2001). Lichaamsgerichte interventies in de psychotherapeutische hulpverlening. Waardevol en ethisch verantwoord? Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 2001, 3.
Nieuwsbrief Psychologen in beweging, 1999, februari.
Nobel, L. de (1999). Domeinen ter discussie, Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54, 349 354-
Drs J.L.M. Delhaas (1960) werkt als psychomotorisch therapeut op Groot Batelaar te Lunteren, circuit voor forensische psychotherapie, en is voorzitter van de Kamer Vaktherapeuten van het CONO. Hij is thans tevens voorzitter van de NVPMT.
