Gastauteur PMT Info Site
Het lichaam in de psychologie (Deel 2)
Afstand en nabijheid van psychomotorisch therapeuten en psychologen
Hans Delhaas
(Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het MGv, 56, 2001, 3, 250-255)
Deze bijdrage is geschreven naar aanleiding van het congres 'Het lichaam in de psychologie' in oktober 1999 georganiseerd door de NIP-sectie in oprichting van Lichaamsgericht Werkende Psychologen. De behoefte aan een reactie hierop nam in hoge mate toe nadat het NCRV-.programma 'Heilig Vuur' in Maart 2000 het werk van deze nieuwe beroepsgroep nader belichtte, waarbij gesproken werd van erkenning door het Nip en bekostiging vanuit de AWBZ.
Een nieuw domein?
Is er een nieuw en eigen domein (vakgebied) van lichaamsgerichte psychologie? Mijn antwoord is op dit moment: nee! Veel van wat de lichaamsgericht werkende psychologen op het congres lieten horen en zien is, in tegenstelling tot wat door hen wordt beweerd, niet verrassend nieuw. Ook de opmerking van Aleid Schilder in het programma 'Heilig Vuur' over de publieke 'angst voor het onbekende', kan ik dus niet delen. Het lijf is niet onlangs herontdekt door psychologen en GGZ- of andere patiënten kunnen niet pas nu via 'veilige aanraking ingekapselde en diepe pijn' gaan voelen en eventueel verwerken. Er bestaat in Nederland al jarenlang geprofessionaliseerde hulpverlening uitgaande van en gericht op bewegingsgedrag en beleefde lijfelijkheid! Deze wijze van hulpverlening is op verschillende wijzen beschreven, kent meerdere 'deeltechnieken' en heeft een gewaardeerde plaats in de GGZ, in de zorg aan verstandelijk gehandicapten, in de revalidatie, in het speciaal onderwijs enzovoorts. Daarbij komt dat er mijns inziens in de reguliere GGZ geen vraag is naar 'primal scream-ervaringen', 'neo-hypnotherapie', 'bio-release','diepte massage' of welke 'verrassend nieuwe techniek' dan ook.
Dat brengt me bij de tweede reden van mijn reactie: de beroepspolitiek. Op verzoek van minister Borst heeft het Coördinerend Orgaan Nascholing en Oplelding in de GGZ (het CONO) april vorig jaar een groot aantal vragen beantwoord over een door de minister gewenste vereenvoudiging van het beroepsveld in de Gz en de GGZ in het bijzonder. Ik verwijs hiervoor graag naar het MGv-themanummer 'Beroepen' (99-4). Behalve de spannendste vraag, wie in de toekomst de functie psychotherapeut mag blijven uitoefenen, is ook aan de orde gesteld hoe de zogenaamde vaktherapeuten zich verhouden tot de overige beroepsclusters. Tot de vaktherapeuten worden naast creatief therapeuten ook de psychomotorisch therapeuten gerekend.
Psychomotorisch therapeuten 'arrangeren en manipuleren bewegings situaties in een therapeutische context van hulpverlening bij psychische psychiatrische problematiek' (Van der Klis, 1999). Uit de aard van hun opleiding en taakuitvoering mogen zij daarbij ook situaties tot hun handelingsdomein rekenen waarin de lichaamservaring centraal staat. De psychologie ervan ('daß Ich ist vor allem ein körperliches ich' samen met 'embodying the mind is minding the body' ) de fenomenologie ervan (Merleau Ponty, Buytendijk, Gordijn, enz.), en de ethiek ervan ( 'The ethical use of touch' ) worden geleerd op HBO+ en academisch niveau, gepraktiseerd en ondervonden in stages, collegiaal besproken en doorgewerkt en in super- en intervisie. De beroepsvereniging, de N.V.P.M.T. bestaat inmiddels al veertig jaar! Over verrassend nieuw' gesproken. Deze N.V.P.M.T. kent een beroepscode, een toetsingsreglement, verenigingstuchtrecht en een kwaliteitsregister. De opleidingsroute wordt op instigatie van het CONO in de komende jaren aangescherpt en mogelijk krachtens de wet BIG geregeld (vaktherapeut-GGZ psychomotorische therapie). Ik vraag mij daarom af of de GZ en GGZ naast de goed opgeleide PMT-ers een nieuwe beroepsgroep nodig hebben. Retorisch gevraagd: hebben de partners in het CONO, inclusief de cliënten beweging, daarom verzocht? Trouwens, hoe wordt deze nieuwe beroepsgroep opgeleid? Wie stelt de eisen aan die opleiding. Het zou namelijk niet de eerste keer zijn dat aan een academische opleiding op het brede integratieve terrein van bewegen/lijfelijkheid en hulpverlening een halt wordt toegeroepen.
Academisch landje-pik
In de Nieuwsbrief van de sectie lichaamsgericht werkende psychologen i.o. van februari 1999 las ik dat deze psychologen veel scholing en bijscholing achter de rug hebben op lichaamsgericht gebied. Niet alleen hebben zij meer dan veertig verschillende soorten cursussen, seminars en opleidingen gevolgd, maar daarbinnen is ook nog eens veel meer aandacht besteed aan de eigen rol en gevoelens en spiritualiteit (5o-90 %) dan aan diagnostiek, anatomie, fysiologie en pathologie (16-47%). Ik kan mij dus wel voorstellen dat men om deze reden wenst te komen tot een gerichte opleiding. Maar nogmaals, is het gewenst?
Ik wil er niet verder omheen draaien- het klopt gewoon niet wat hier gebeurt. Een eenvoudige vergelijking laat dat zien. Immers, een psychomotorisch therapeut kan psychololog of psychotherapeut, worden door de, daarvoor geëigende, reguliere opleidingen te volgen. Vele PMT-ers hebben dat gedaan. Als nu een grote groep psychologen heeft ontdekt dat de therapeutische alliantie met de cliënt versterkt kan worden door gerichte lichamelijke interventies, dat 'praten over' soms gemakkelijker wordt door eerst 'te doen', dat lichaamswerk snel een veilige context en containment kan bieden, en dat negatieve overdracht bij louter verbale therapie vaak groter is, dan vormt dat een goede legitimatie voor het werk van psychomotorisch therapeuten. Maar deze ontdekking is dus niet nieuw en evenmin verrassend. Als psychologen vervolgens deze principes willen gaan benutten en dus lichaamsgericht willen werken, moeten zij zich net als PMT-ers aan de collegiale spelregels houden en de reguliere opleidingen op dat terrein volgen. Laten we vooral nu, in de fase waarin het beroepsveld in de GGZ wordt geordend en waarin opleidingen worden ontworpen of verbeterd, de kwaliteitsimpuls niet bij voorbaat ontkrachten door grensvervaging tussen beroepen en academische vormen van 'landje pik'.
Ik weet wel dat bewegingswetenschappers en psychomotorisch therapeuten nog weinig onderzoek hebben gedaan en karig 'evidence based' materiaal hebben verzameld. Misschien hadden zij alle kennis, ervaring en intuitie (gestolde ervaring) die gereed ligt op de planken, in hoofden en in lijven, eerder moeten standaardiseren, protocolleren en omzetten in modules. Dat gebeurt echter op dit moment binnen de N.V.P.M.T. in 'eigen beheer' en erbuiten door het Trimbos-instituut in een voortgezet onderzoek onder vaktherapeuten. Omdat de GGZ erom vraagt, werken wij eraan. Maar daarom ook deze oproep, met alle respect voor integere-en vakkundige collegae- psychologen: blijft u intussen van mijn lijf en bij uw eigen leest.
Literatuur
Baardman, 1. (1999) Het lichaam in de psychotherapie. De Psycholoog, 34, 473-476.
Hutschemaekers, G.i & L. Neijmeijer (1999). Beroepen in beweging. Houten / Utrecht-. Bohn Stafleu Van Loghum / Trimbos-instituut.
Klis, P. van der (1999). De grenzen van psychomotorische therapie: over rekkelijken en preciezen. Beweging en Hulpverlening, 16, 208 221.
Nieuwsbrief Psychologen in beweging, 1999, februari.
Nobel, L. de (1999). Domeinen ter discussie, Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54, 349 354-
Personalia
Drs J.L.M. Delhaas (1960) werkt als psychomotorisch therapeut op Groot Batelaar te Lunteren, circuit voor forensische psychotherapie, en is voorzitter van de Kamer Vaktherapeuten van het CONO. Hij is thans tevens voorzitter van de NVPMT.
