Gastauteur PMT Info Site
Lichaamsgerichte interventies in de psychotherapeutische hulpverlening: Waardevol en ethisch verantwoord ?
Deel 3 (slot)
Mia Leijssen
Dit artikel verscheen eerder in Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 2001(3), 195-217. Publicatie van dit artikel op de PMT Info Site kon plaatsvinden na toestemming van de auteur.
Empirische evidentie en klinische onderzoeksgegevens
De gemarginaliseerde positie van de lichaamsgerichte therapie heeft tot gevolg dat de hoeveelheid empirisch onderzoek naar effectiviteit niet indrukwekkend is. Daarnaast merken gereputeerde onderzoekers op dat het bestuderen van het non-verbale gedrag bijzonder complex, duur en tijdrovend is en dat gepaste meetinstrumenten ontbreken (Wiener et al. 1989; Davis & Hadiks, 1994; de Roten et al. 1999). Dat neemt niet weg dat bestaande gegevens bemoedigend en bevestigend zijn voor de klinische praktijk. Naast wat we weten uit enkele experimentele studies, geven we hier ook kwalitatief onderzoek waarin systematische reflectie resulteert in praktische wijsheid die door clinici vaak meer gewaardeerd wordt (Elliott, 1999). Betreffende de oudere studies beperken we ons tot de meest beklijvende, voor de recente selecteren we enkele belangrijke bijdragen.
Bij kinderen van 5 tot 14 jaar, door de rechter geplaatst omwille van agressief en delinquent gedrag, constateerde men een significante afname van probleemgedrag wanneer het kind tijdens de therapiesessies in de schoot van de therapeut mag liggen ('therapeutic holding') (Myeroff, Mertlich & Gross, 1999). Bij mishandelde kinderen werd het interpersoonlijk vertrouwen en de zelfacceptatie hersteld door het lichamelijk contact met de therapeut (Wilson, 1982, Woodmansey, 1988). Bij jeugddelinquenten vond men dat gewelddadig gedrag en seksuele uitspattingen duidelijk verminderden wanneer in de groepstherapie niet-seksueel fysiek contact werd aangemoedigd en gemodelleerd door de groepstherapeuten (Dunne, Bruggen & O'Brien, 1982; Hunter & Struve, 1998a).
Het belang van lichamelijk contact voor de ontwikkeling van kinderen wordt algemeen aangenomen sinds de experimenten en de observaties van Harlow (1958, 1965), Spitz (1945, 1959) en Bowlby (1960) pijnlijk duidelijk maakten dat te weinig fysieke affectie grote mentale achterstand en zelfs de dood tot gevolg heeft. Met diverse studies werden vervolgens de positieve effecten van fysiek contact bij kinderen belicht (voor een overzicht van oudere studies zie: Cowen, Weissberg & Lotyczewski,1983). Voortzetting van die inzichten is ook te vinden in recente studies die het effect van massage aantonen. Bij premature kinderen neemt als gevolg van massage het gewicht sneller toe dan in de controlegroep, bij de kinderen die gemasseerd worden zijn de reflexen beter en de stresshormonen (norepinephrine, epinephrine) minder (Field, 1996). Kinderen die chronisch ziek zijn, vertonen minder angst, worden algemeen rustiger en beter gehumeurd en ze hebben minder klachten, wanneer er naast de medische behandeling regelmatig massage wordt gegeven (Hernandez-Reif et al., 1999). Kim en Buschmann (1999) konden empirisch aantonen dat demente bejaarden significant minder disfunctioneel gedrag vertonen en minder angstig zijn met een dagelijkse handmassage van 5 minuten gedurende 10 dagen. Gelijkaardige bevindingen worden gerapporteerd door Fraser en Kerr (1993), die vaststelden dat het verbaal en non-verbaal gedrag van geriatrische patiënten sterk verbetert als gevolg van regelmatige rugmassage. Opvallend is dat in al deze experimenten met massage steeds vrouwelijke therapeuten werden ingezet.
De invloed van het non-verbale gedrag van de therapeut wordt aangetoond door Davis en Hadiks (1994), die vaststellen dat het ervaringsniveau bij de cliënt verandert als de lichaamshouding van de therapeut verandert. De lichaamsbewegingen van therapeut en cliënt blijken manifestaties te zijn van intrapsychische en relationele processen. Durana (1994, 1996) kon aantonen dat patiënten die aangeraakt worden door de therapeut, zich meer herinneren en meer emotie toelaten betreffende pijnlijke en beschamende ervaringen. Dit ligt in dezelfde lijn als vroegere onderzoeken, waarbij herhaaldelijk werd aangetoond dat zelfonthulling bij cliënten toeneemt als gevolg van ondersteunend fysiek contact (Pederson, 1973; Jourard & Friedman, 1970; Pattison, 1973; Alagna et al. 1979; Heslin & Alper, 1983). Ook wordt de therapeutische alliantie sterker en neemt het vertrouwen, de openheid en het zelfwaardegevoel van de cliënt toe bij lichamelijk contact (Hubble, Noble & Robinson, 1981; Suiter & Goodyaer, 1985). Horton, Clance & Stork-Elifson (1995) bevestigden in een onderzoek met 231 patiënten dat ze meer betrokkenheid en deskundigheid vanwege de therapeut ervaren en dat hun zelfwaardegevoel toeneemt bij lichamelijk contact. Daarbij werd eveneens empirische ondersteuning gevonden voor een fenomenologische studie van Gelb (1982) waaruit bleek dat vier voorwaarden moeten vervuld zijn: duidelijkheid omtrent wat wel en niet kan bij lichamelijk contact; de cliënt heeft zelf controle heeft over het contact; de aanraking moet ervaren worden als authentiek en passend bij het thema; de cliënt moet ervaren dat de therapeut niet handelt vanuit eigen nood, maar voor het welzijn van de cliënt.
In groepstherapie wordt de cohesie en de participatie van deelnemers versneld indien de therapeut fysiek contact maakt (Duplechin, 1994), terwijl mannen in psycho-educatieve groepen met het aanwenden van lichamelijk contact eerder emotionele thema's durven ter sprake te brengen en een onderscheid leren maken tussen bonding en behoefte aan seks (Rabinowitz, 1991).
Klinische ervaringen met diverse soorten cliënten leren dat aanraking geïndiceerd is bij vroege ontwikkelingsstoornissen; empathische uitspraken beklijven veel meer wanneer ze non-verbaal ondersteund worden (Goodman & Teicher, 1988; Smith, 1985, 1990; Parkes et al. 1991).Bij zwaar gestoorde psychiatrische patiënten blijkt dat lichaamsgerichte interventies de verbale interacties bij de patiënten doen toenemen en dat de patiënten vervolgens gemakkelijker toegang vinden tot hun beleving (Gendlin, 1970; Hinterkopf et al. 1979, 1981; Prouty et al. 1988, 1990). In suïcidale crisismomenten en bij trauma en verlies, geeft rechtstreeks fysiek contact het meeste containment en het snelst een gevoel van veiligheid, heroriëntatie en controle over de situatie (Fuchs, 1975; Wilson, 1982; van der Kolk et al., 1996). Fysiek en seksueel misbruikte cliënten (Cornell & Olio, 1991; Benjamin, 1995; Smith Lawry, 1998) en cliënten met seksueel compulsief gedrag (Hunter & Struve, 1998b; Carnes, 1989) evolueren positiever bij therapeuten die niet-seksueel contact opnemen in hun behandeling. Fagan en Smith Silverthorn (1998) vonden empirische evidentie voor wat clinici uit ervaring weten: naarmate de cliënt meer gestoord is, neemt zijn vermogen om emotionele communicatie accuraat te verstaan af. Schizofrene patiënten reageren angstiger dan depressieve cliënten wanneer de betekenis van een aanraking onduidelijk is; er zijn minder misverstanden over non-verbale communicatie bij mensen die zich comfortabel voelen met hun lichaam en aanrakingen.
Diverse auteurs (Goodman & Teicher, 1988; Kertay & Reviere, 1993; Hunter & Struve, 1998a; Corey, Corey & Callanan, 1998) specifiëren wanneer fysiek contact niet aangewezen is. Zij ontraden aanraking: bij acuut vijandige of paranoïde cliënten, als respons op dwingende eisen van de cliënt, wanneer de cliënt niet zal durven weigeren, of wanneer de therapeut zich niet comfortabel voelt bij de aanrakingen . Wanneer de therapeut vermoeid is, zich niet goed in zijn vel voelt, agressieve gevoelens heeft, een seksuele lading ervaart of overbetrokken is, blijkt dat de lichaamsgerichte interventies een negatieve uitwerking hebben op de cliënt. Diezelfde auteurs wijzen erop dat inauthentiek lichamelijk contact storend werkt, terwijl het in een beginnend therapeutisch contact te vroeg is om met lichaamsgerichte interventies te werken, ze worden dan als indringend en confronterend beleefd. Sussman & Rosenfeld (1978) konden empirisch vaststellen dat onverwachte aanrakingen negatief beleefd worden. Uiteraard passen in de context van de tegenindicaties ook de studies waarin aangetoond is dat seksueel contact in therapie schadelijk is voor de cliënt (Pope, 1988; Olarte, 1997).
Ondanks de heersende reserves zeggen slechts 13% van de Amerikaanse psychotherapeuten die lid zijn van een beroepsvereniging 'nooit aanraking' te gebruiken in therapie (Tirnauer, Smith & Foster, 1996). Milakovich (1993, 1998) bracht de verschillen tussen therapeuten die wel of niet aanraken gedetailleerd in kaart. Therapeuten die lichamelijk contact als systematische communicatietechniek aanwenden, verschillen significant van niet-aanrakende therapeuten in volgende kenmerken: meer behorend tot humanistische theoretische oriëntatie; positieve kijk en doelbewust gebruiken van aanraking als communicatievorm; geloven in aanrakingsdeficiet verbonden met ontwikkeling; meer positieve ervaring met lichamelijk contact in therapie in de cliëntpositie; vaker opleiders en supervisoren gehad die positief stonden tegenover die technieken; meer getraind in lichaamsgerichte technieken; vaker zelf slachtoffer van seksueel misbruik; meer vrouwen. Dat het valoriseren van non-verbale communicatievormen overeenstemt met een waardesysteem dat duidelijk meer door vrouwen wordt aangehangen - zowel in de therapeut- als de cliëntpositie - kan ook worden afgeleid uit een Nederlandse enquète betreffende alternatieve hulpverlening: 73 % van de aanbieders zijn vrouwen en ook driekwart van de cliënten is vrouw (van Reenen et al.,1997). Een ethische benadering impliceert dat men zich bewust is van deze waardegevoeligheid waarmee het doen en laten van mensen voortdurend doordrongen is.
Ethisch handelen
Beroepsethiek veronderstelt in de eerste plaats dat iemand zijn vak beheerst, wat impliceert dat de therapeut voldoende kennis heeft van de 'body of knowledge' en die genuanceerd kan aanwenden in een weloverwogen methodiek. Lichaamsgerichte interventies zijn op zich zelf niet goed of slecht. Wel is de vraag: wanneer, bij wie, op welke wijze is het aan te raden of juist af te raden en van waaruit kiest men in een bepaalde situatie voor non-verbale communicatie ? De beroepsethische aspecten die hier aan de orde zijn hebben veel meer om het lijf dan de gedragsregels die het aanraken van seksueel beladen lichaamszones verbieden. De waarden waar het om gaat liggen op een ander niveau. Regels zijn een middel om waarden te realiseren; waarden geven aan wat van belang is of de moeite waard (Graste, 2000). Regels geven structuur en scherpen de aandacht voor iets, maar zij zijn niet bij machte om het complexe terrein van de menselijke interacties te omvatten. In de praktijk nemen regels al snel het zicht op de onderliggende waarden, doelen, motieven en vooronderstellingen weg, terwijl het inzicht daarin juist nodig is om mensen te motiveren tot ethisch gedrag. In de hedendaagse beroepsethiek neemt het ongenoegen over regelgestuurde of op handeling gebaseerde systemen toe; er gaan steeds meer stemmen op die pleiten voor een herwaardering van morele kwaliteiten die bepalend zijn voor het ethisch handelen (van Asperen, 1993; Lindsay, 1996; Meara, Schmidt & Day, 1996; Kitchener, 1996; Nussbaum, 1998; Graste, 1998, 2000). Recente beroepscodes, bijvoorbeeld de Beroepscode voor Psychologen van het NIP (1998), groeperen de gedragsregels onder vier waarden: respect, integriteit, verantwoordelijkheid, deskundigheid. Dit is een uitwerking van het aloude leidinggevende principe bij professioneel handelen en ethische conflicten : welzijn bevorderen en geen of minst schade veroorzaken. Naast de professionele/beroepsethische aandachtspunten die reeds vervat zijn in de vorige paragrafen, belichten we nog enkele aspecten.
Onderzoek bij niet-succesvolle therapeuten verduidelijkt dat problemen voornamelijk ontstaan wanneer therapeuten ten gevolge van rigide persoonlijke opvattingen te zeer vasthouden aan een bepaalde stijl. Hoe onveiliger de therapeut zich voelt, hoe waarschijnlijker het wordt dat hij zich verschuilt achter een dogmatisch standpunt, ook als dat niet in het belang van de cliënt is (Henry, Schacht & Strupp, 1990; Leijssen, 1998). Dit gaat ook op voor de houding tegenover lichaamsgerichte interventies: fervent pro of contra zijn, getuigt eerder van dogmatisme dan van goed vakmanschap. Zowel lichaamsgerichte therapeuten die onvoldoende bekwaamheid hebben in het hanteren van het woord, de relatie en het therapiecontract, als gesprekstherapeuten die geen oog hebben voor het lichamelijk aspect, roepen problemen op.
In de realiteit dienen zich meestal subtielere situaties aan, waarbij verschillende waarden interageren. Bijvoorbeeld: een cliënte wil mij bij het weggaan omhelzen, ik voel bij mezelf een tegenzin. Wat betekent dit ? Heb ik moeite met aanraking ? Verdraag ik de toenemende intimiteit niet ? Zie ik in haar een versmachtende vrouw die mij tussen haar borsten wil drukken ? Of is het mijn lichamelijk gevoelde barometer die waarschuwt voor de pogingen van de cliënt om de grenzen van onze professionele relatie te verleggen ? Eist ze van mij dat ik haar behoefte aan geknuffeld worden inlos ? Wil ze mij letterlijk in haar greep krijgen en zo vorm geven aan de dominante positie die ze meestal verkiest ? Welke machtsstrijd vecht ik met haar uit ? Durf ik haar niet tegen mij in het harnas jagen ? Kan zij een overspoelende eenzaamheid niet dragen en doet ze een wanhopig appèl ? Bij de keuze of ik haar wel of niet die gevraagde omhelzing geef, kan ik niet terugvallen op regels die aangeven wat hier het beste is. Wel kan ik exploreren hoe ik mij verhoud tot verschillende beroepsethische principes. Ter illustratie doen we die denkoefening aan de hand van het voorbeeld (voor een grondiger uitwerking en meer gevalsbesprekingen, zie: Leijssen, 2000).
Integriteit betekent dat mijn communicatie oprecht en betrouwbaar is. Daarvoor moet ik eerst over voldoende zelfkennis beschikken, zodat ik eigen blinde vlekken niet op de cliënt projecteer of mij niet verschuil achter een rationalisatie. In de hoger beschreven situatie zou een omhelzing van mijnentwege een inauthentiek gebaar zijn, want iets in mij wil het niet. Vanuit mijn zelfkennis weet ik dat aanrakingen mij normaal niet afschrikken; dat ik wel alert ben voor verstikkende relaties en subtiele vormen van dominantie, maar ik denk dat ik die thema's voldoende verkend heb in eigen leertherapie, zodat ik er gerust in kan zijn dat ik niet vanuit tegenoverdracht ageer. Transparantie over mijn tegenzin, of aan de cliënt verwoorden wat er in mij omgaat, lijkt mij op dat moment niet aangewezen: we staan reeds buiten de therapieruimte en ik wil ook niet over de grenzen van de tijd gaan; ongenuanceerd de waarheid spreken zou meer schade aanrichten dan dat het verhelderend zou werken. Het meest integere gedrag zou in dit geval zijn: non-verbaal communiceren dat ik afstand wil bewaren, onze afspraken over de therapiestructuur bewaken door niet over de tijd te gaan. In mijn achterhoofd houd ik dat ik in de volgende sessie zal terugkomen op deze situatie. Dan zal ik sober verwoorden wat er hierbij in mij is omgegaan en vervolgens samen met de cliënt exploreren in hoeverre mijn feedback over dit gebeuren kan leiden tot relevante informatie over de interpersoonlijke stijl van de cliënt.
Respect voor de cliënt wordt in de beroepsethiek vaak vereenzelvigd met respect voor autonomie of iemands keuzevrijheid zoveel mogelijk honoreren. De werkelijke betekenis wordt treffender weergegeven in het Latijnse 'respicere' , wat betekent omzien naar en opnieuw bekijken (Bauduin, 2000). Respect houdt in dat de therapeut in attitude en gedrag uitdrukt dat hij zorgvuldige aandacht heeft voor de intrinsieke waarde van de cliënt. Wat lichaamsgerichte interventies betreft, wordt in de beroepsethiek beklemtoond dat de cliënt uitdrukkelijk toestemming moet geven, 'informed consent'. In de USA is het daarenboven gebruikelijk dat therapeuten een geschreven formulier laten ondertekenen door de cliënt, waarbij geëxpliciteerd is welke lichaamsgerichte interventies de therapeut eventueel gebruikt (voor zo'n model, zie: Hunter & Struve, 1998a, p.154). Persoonlijk vind ik die Amerikaanse strekking te ver gaan; ik ervaar ze meer als een formaliteit waarmee de therapeut zich indekt tegen risico's - in Amerika heerst er ook een cultuur waarin cliënten sneller naar juridische procedures grijpen om schadevergoedingen te eisen - dan dat ik zo'n handtekening vanuit therapeutisch standpunt zinvol acht. Als deze cliënt het initiatief neemt om mij te omhelzen, zou ik haar autonomie niet schenden indien ik haar gebaar beantwoord. Maar respect voor autonomie betekent niet dat ik moet instemmen met de keuze van de ander. In de hulpverlening lijkt het dan vaak of paternalisme - een relatievorm waar de deskundige om 'bestwil' beslist voor de cliënt (Pols, 2000) - het enige alternatief is. Bij deze cliënt zou het van neerbuigendheid getuigen indien ik zou uitmaken dat het 'voor haar beter is dat ik haar niet omhels'. Respect houdt in dat ik haar wens van meer lichamelijke nabijheid niet veroordeel; dat ik mij verplaats in haar situatie en bedenk hoe ik dan zou willen benaderd worden. Het is mij daarbij duidelijk dat ik mij niet respectvol benaderd zou voelen als iemand uit medelijden, of omdat hij niet durft weigeren, een gebaar beantwoordt. Dus besluit ik dat ik respectvoller handel door haar niet te omhelzen. Maar respect is hier vooral dat ik opmerkzaam ben voor de beleving van de cliënt, dat ik in de volgende sessie aandachtig luister naar wat er in haar omging en hoe zij mijn weigering beleefd heeft, dat we de situatie verbaal overdenken op zijn betekenis.
Verantwoordelijkheid vloeit voort uit de asymmetrische relatie, waarbij de cliënt als hulpvrager in een speciale vorm van afhankelijkheid verkeert ten opzichte van de therapeut die over deskundigheidsmacht beschikt (Mooij, 1998, 2000). De kwetsbare positie van de cliënt wordt nog groter omdat hij 'iets mankeert', het zelf niet in orde krijgt en raad zoekt voor zijn problemen, moeilijkheden heeft om keuzes te maken of beslissingen te nemen, zelf soms niet meer weet wat goed is. De zogenaamde zelfbeschikkingsmacht van de cliënt kan minder of meer aangetast zijn. Om machtsmisbruik van de therapeut tegen te gaan, zijn er minimale verplichtingen, omschreven als 'aansprakelijkheidsverantwoordelijkheid'. Deze verantwoordelijkheid houdt in dat gedragsregels uit de beroepscode gekend zijn en nageleefd worden. Daarnaast is er verantwoordelijkheid met een onbestemder karakter, waarbij idealen een grote rol spelen, te omschrijven als 'zorg'. Bij de cliënte die mij wil omhelzen heb ik al bij het begin van de professionele relatie mijn verantwoordelijkheid genomen door haar alle aspecten van het therapiecontract te verduidelijken en die verder steeds na te komen. Mijn goed gedocumenteerd dossier kan ook getuigen dat ik niet aansprakelijk kan gesteld worden indien zij een wanhoopsdaad zou plegen en als er toch iets onvoorziens gebeurt heb ik een beroepsverzekering. De emotionele toestand waarin ik haar laat vertrekken, doet niet vermoeden dat zij overspoeld of ontoerekeningsvatbaar is. Ik heb de continuïteit van de behandeling ook gewaarborgd door de duidelijke regeling van een volgende afspraak. Maar momenten waarbij lichamelijk contact wordt gezocht of geboden, evoceren nog een bijzondere verantwoordelijkheid (Kertay & Reviere, 1993). De cliënt komt letterlijk 'in de handen van de therapeut'; op die momenten laat de cliënt meer defensies varen en is de kans dat er heftige emoties naar boven komen veel groter; het risico van machtsmisbruik verergert bij die verhoogde kwetsbaarheid. Vanuit het standpunt van verantwoordelijkheid kan ik bij de hoger genoemde cliënte argumenteren dat ik 'afsluit' met meer afstandelijkheid en dat ik bij de cliënt geen proces faciliteer waarmee ze bij het vertrek meer 'open' kan komen liggen. Zorg betekent dat de wijze waarop ik dat duidelijk maak, geen kilheid of verwerping uitdrukt; op hartelijke wijze bevestig ik mijn professioneel engagement in de verwoording dat ik haar volgende keer graag terugzie op het afgesproken tijdstip. Zorg is ook dat ik mij afvraag of ik haar tekort gedaan heb door haar omhelzing niet te beantwoorden. Of ik haar nu wel of niet omhels, in beide gevallen ben ik verantwoordelijk voor de communicatievorm en is het ook mijn verantwoordelijkheid om de keuze en de betekenis ter sprake te brengen.
Hoger genoemde waarden - integriteit, respect, verantwoordelijkheid - liggen aan de basis van het ethisch handelen. Maar een therapeutisch proces is juist anders omdat die principes vorm krijgen vanuit de specifieke deskundigheid van de therapeut. Indien ik bijvoorbeeld op integere wijze tracht te verduidelijken aan de cliënt wat er in mij omgaat, dan is dat niet vergelijkbaar met 'zeggen wat ik denk' , het veronderstelt integendeel een gedisciplineerd hanteren van zelfonthulling en feedback. Zonder training en vakkennis dreigen dergelijke 'waarheidsmomenten' eerder een omkering van de rollen te veroorzaken en de cliënt op te zadelen met onthullingen die meer schade aanrichten dan dat ze helpend zijn. Ook het uitdrukken van respect is geen sentimenteel meeleven en begrijpen. Professionele scholing brengt niet alleen de noodzakelijke kennis van diverse leefwerelden en psychopathologie aan; het impliceert ook veel oefening en kritische reflectie, waarbij de therapeut leert al zijn zintuigen in te zetten om de essentie te onderscheiden van het bijkomstige en diverse communicatievormen zo te gebruiken dat respect daadwerkelijk vorm krijgt en de cliënt op een diepgaand niveau bereikt en geholpen wordt. Verantwoordelijkheid wordt ontleend aan specifieke vakkennis, meer kennis leidt tot meer verantwoordelijkheid. Therapeuten kunnen er zich niet vanaf maken met 'wat niet weet, niet deert'. Deskundigheid houdt in dat therapeuten beseffen wanneer zijzelf of collega's kwetsbaar worden voor onethisch handelen en dat ze de nodige maatregelen treffen om dat te voorkomen. Zelfzorg is daarbij belangrijk, naast collegialiteit waarin ruimte is voor openhartige gedachtewisseling, om dilemma's op tafel te leggen, om eenzaamheid en professioneel isolement te voorkomen, om advies en steun te vragen wanneer met gezonde twijfel een overtuiging of handelswijze in vraag wordt gesteld.
Besef van tekorten kan ook een stimulans zijn om over de eigen grenzen te kijken. De opkomst van nieuwe, minder orthodoxe benaderingen creëert een spanningsveld waaruit moeilijkheden en problemen, maar ook verbreding en vernieuwing kunnen komen. Als we ons grondig laten informeren door cliënten, ervaren clinici en gewetensvolle onderzoekers, worden we van een dergelijke interactie allemaal beter.
De Bibliografie is apart opvraagbaar.
Personalia:
Mia Leijssen (1951) is doctor in de psychologie en psychotherapeut. Zij is professor aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar zij beroepsethiek voor psychologen doceert en opleiding geeft in de Cliëntgericht-experiëntiële psychotherapie. Zij heeft ruime ervaring met individuele en groepspsychotherapie. Zij heeft talrijke publicaties op haar naam, waarvan enkele opgenomen in de referentielijst.
E-mail: mia.leijssen@psy.kuleuven.ac.be
