Gastauteur PMT Info Site

november 2002



Ik ben te oud om slechts te spelen …

Over indicatiestelling voor vaktherapie, PMT in het bijzonder.


Claudia Emck


Lezing. Symposium vaktherapie – GGZ NHN – 30 november 2001
Tevens gepubliceerd in ‘t WEB – Tijdschrift voor bewegingsonderwijs, - therapie en – recreatie, 2001 , nr 4, 6-16.


Dit symposium betreft vaktherapie en indicatiestelling. Over de gehele dag zijn er diverse workshops vanuit de verschillende “bloedgroepen” aangeboden, waarbij aanwijzingen, wenken, hinten, tips en tekens zijn gegeven over wat te doen met wie (Rebergen 1990).

Bij de creatieve therapie zijn de bloedgroepen goed omschreven: beeldend, drama, muziek en dans & beweging. De psychomotorische therapie wordt meestal als één geheel gezien. Toch zijn ook daar diverse onderscheidingen te maken naar gehanteerde methodieken. Er zijn psychomotorisch therapeuten die op bewegingsgerichte wijze werken en met name werkvormen uit de lichamelijke opvoeding gebruiken. En er zijn therapeuten die een meer lichaamsgerichte oriëntatie hebben, waarbij de lichaamsbeleving meer, en het bewegen wat minder geproblematiseerd wordt (Fahrenfort 1987). Tot slot zijn er de symbolische benaderingen, zoals de Pesso therapie, waarbij bewegingsgedrag en lichamelijke reacties symbool staan voor betekenisvolle gebeurtenissen uit het verleden die in het heden doorwerken. De meeste psychomotorisch therapeuten maken gebruik van diverse methodieken, zelfs binnen een therapiesessie. Dit vereist consistente methodische ordeningsprincipes, die deels nog in ontwikkeling zijn. 

 

Over de aard van de PMT kunnen we duidelijk zijn: het betreft een experientiële therapievorm, waarbij de therapeut de situatie zo arrangeert dat de cliënt specifieke ervaringen kan opdoen. Binnen deze ervaringsgerichte therapie passen ook conflictgerichte en oefengerichte benaderingen (Petzold 1998, NVPMT 1995). De essentie is echter de ervaring: er wordt ter plekke iets gedaan en dit is de basis voor het verder beïnvloeden van gedrag, gedachten en gevoelens. Het aardige van dit startpunt voor PMT is dat het een gegeven is dat zij deelt met andere vaktherapieën, en waarmee zij zich onderscheid van - primair verbale – psychotherapie. Indicatiestelling voor vaktherapie moet dus gaan over welke ervaring op welk moment voor welke cliënt de aangewezen ervaring is.

 

Experientiële therapievormen waren erg populair in de 70-er jaren. In de 80 en 90-er jaren verzakelijkte de GGZ en psychotherapeuten namen meer afstand van experientiële benaderingen. De client-centerred psychotherapie, een primair verbale therapie met een sterk experientieel karakter, kwam als psychotherapie onder druk te staan. PMT en CT hielden verrassend stand in de GGZ, vaak onder de noemer van non-verbale therapie. Omdat er niet gepraat zou worden, leek zij geen bedreiging voor de gevestigde orde. PMT en CT werd maar al te vaak klein gehouden: je kunt er lekker spelen, je kind-zijn beleven, je mag er doen wat in de gewone wereld niet kan: kliederen, dollen, rollen spelen, stoeien, luieren … 

Dat daarmee relevante processen op gang komen en gestuurd kunnen worden, was iets dat de vakbroeders niet altijd goed over konden brengen. In die zin was verbaliseren niet de sterkste kan van ons vak.

 

Inmiddels lijkt daar een kentering in gekomen. In ieder geval in de PMT – en naar mijn indruk ook in de CT – deelt men de mening  dat de ervaring op zich niet therapeutisch is. De betekenisverlening is essentieel. Het woorden geven aan de ervaring is van groot belang voor het therapeutisch proces. Er wordt niet langer meer gesproken van non-verbale therapie, maar van vaktherapie (Neijmeijer e.a. 1996, Hutschemaekers en Neijmeijer 1998). En met deze verschuiving wordt ook het vak meer volwassen. Jazeker, er wordt nog steeds gespeeld, maar men neemt ook verantwoordelijkheid. Er worden producten, modulen en richtlijnen beschreven (Hattum & Hutschemaekers 2000, NVPMT 1998, Trimbos/CBO 2000) en ook onderzoek staat op de agenda. De richtlijnen voor indicatiestelling zullen in eerste instantie vanuit de klinische praktijk moeten komen.

 

Hoe nu te bepalen welke behandelvorm geïndiceerd is, als er nog zo weinig studies zijn gedaan? Voor de PMT geldt mijns inziens dat er een indicatie is, wanneer problematiek van een cliënt zich uit in lichamelijkheid & bewegen en als via dit middel de problematiek op effectieve wijze beïnvloed kan worden. Of: het probleem moet zich in de zaal voordoen. Voor CT kan men deze redenering ook per medium maken: de problematiek moet zich uiten in beeld / drama / muziek en moet tevens door deze media te beïnvloeden zijn. Daarbij wil ik – voorlopig uitgaande van PMT – vier globale indicatiegebieden onderscheiden. 

 

De vier globale indicatiegebieden zijn op te vatten als kernproblematieken waarvoor geldt dat de psychopathologie zich uit in specifieke regulatieproblemen, die op het  niveau van lichamelijkheid en bewegen sterk naar voren komen.

 

1.       Regulatie van stemming.
Bij stemming denke men bijvoorbeeld aan een depressie, die zich uit in een trage motoriek en een vlakke expressie. Hierop kan de psychomotorisch therapeut bijvoorbeeld door middel van runningtherapie (Bosscher 1991) interveniëren.

2.       Regulatie van angst en spanning.

Onder de noemer angst en spanning  kan men cliënten met spanningsklachten plaatsen. Specifieke relaxatiemethodieken zijn dan vaak geïndiceerd. Ook patiënten met post-traumatische stresstoornissen vallen in deze categorie, hoewel zij een ander type interventie nodig hebben (Jol & vd Meijden vd Kolk 2000).

3.       Regulatie van lichamelijke gevoelens.
De derde groep typeert zich doordat de problematiek zich primair uit in de lichaamsbeleving. Deze groep bevat een grote variatie: van somatoforme stoornissen, tot eetstoornissen en genderidenteitsstoornissen. Ook persoonlijkheidsproblematiek uit zich dikwijls in de lichaamsbeleving. In de PMT kan hier expliciet aandacht aan worden besteed (vander Meijden van der Kolk & Jol 2000, Emck & Smit 2000, Rekkers 2000, Probst 1997, Baardman 1989). 

4.       Regulatie van prikkels en gedrag
Psychopathologie die zich kenmerkt door chaos en onrust – en waarbij de regulatie van prikkels en gedrag een probleem is – komt zowel bij volwassenen als bij jeugdigen veelvuldig voor. In  DSM-IV termen betreft het dan ziektebeelden als autisme, ADHD,  psychosen, dementie, gedragsstoornissen en dergelijke. De chaos en onrust uit zich direct in het bewegingsgedrag, hetgeen veelal vraagt om structurerende methodieken en interventies (Emck 1997, 1998, Emck & Smit 2000).

 

De 4 indicatiegebieden zijn nu vanuit het PMT-kader getypeerd. Een vergelijkbaar model zou men voor CT kunnen ontwikkelen. Ook daar is immers sprake van een specifieke ervaringsgerichte therapiecontext waar de problematiek zich in voordoet en beïnvloed kan worden.

 

Bovendien: er is een grote overlap in middelen. Het beste voorbeeld daarvan is het gebruik van bewegen op muziek, dans en bewegingsexpressie in zowel PMT als CT (zie de discussie op de gastauteurpagina van de PMT Info Site).

 

PMT als ervaringsgerichte behandeling beoogt gedrag en beleving te beïnvloeden. Om dit op passende wijze te doen, zijn ordeningsprincipes nodig, op basis waarvan de beoogde richting van de verandering geduid kan worden. Er zijn op dit punt drie relevante dimensies te onderscheiden, te weten:

  1. Inactiviteit - activiteit [actie, c.q. bewegen]
  2. Impressionaliteit – expressionaliteit [expressie]
  3. Individualiteit – interactionaliteit [interactie]

 

Elke methodiek of interventie is in dit licht te beschouwen. Het gaat er dan om in hoeverre een bepaalde methodiek leidt tot rust of actie, impressionele of expressionele, individuele of interactionele gerichtheid van de cliënt. Methodieken die een hoge mate van actie van de cliënt vragen, zijn bijvoorbeeld: runningtherapie, sportspelen en dans. Relaxatievormen en sensory awareness oefeningen vragen bijna geen fysieke inspanning.

Zintuiglijke gewaarwording speelt zowel bij een impressionele als bij een expressionele gerichtheid een belangrijke rol. Interventies kunnen de aandachtsfocus van intern (gevoelens, gedachten, belevingen) naar extern (mensen, situaties, dingen) doen verschuiven of andersom en kunnen ook de duur van de gerichtheid beïnvloeden (bijvoorbeeld de instructie: “blijf nog even met je aandacht bij jezelf”). In de meeste methodieken wisselen de impressionele en expressionele gerichtheid elkaar af.

Sommige arrangementen nodigen cliënten expliciet uit tot interactie, terwijl andere dit zo goed als niet doen. In de Pesso-methodiek gaat het bovendien om een specifieke vorm van interactie, te weten een symbolische.

 

De drie dimensies kunnen als assen worden weergegeven, zodat een kubusmodel ontstaat. Methodieken en interventies zijn in deze kubusruimte te plaatsen (zie fig. 1.)


kubus

In het plaatje zijn enkele voorbeelden van methodieken te zien, waarbij: R = runningtherapie, S = sportspelen, P = Pessotherapie, J = methode Jacobson. Het gaat hierbij om een grove typering. Afhankelijk van specifieke interventies van de therapeut kan er verschuiving in de situering plaatsvinden.

 

Indicatiestelling voor PMT gebeurt aldus in twee stappen:

  1. eerst bepaalt men aan de hand van de eerder geschetste 4 indicatiegebieden of een cliënt gebaat is bij PMT
  2. vervolgens kiest men aan de hand van de dimensies de methodiek die past bij de specifieke hulpvraag.

Echter, er kunnen nog andere overwegingen meespelen om toch juist niet te kiezen voor een bepaalde vorm van vaktherapie.

 

Wanneer men deze overwegingen niet maakt kunnen zich op zijn minst drie foutieve keuzen voordoen:

1. Hulpvraagproductie: de client is in klinische behandeling wegens een forse depressie, moet naar PMT en ontdekt dat hij daar geconfronteert wordt met angsten waar hij in het dagelijks leven nooit last van heeft. De therapeut vindt dat hij daar aan moet gaan werken …

2. Overkill: de client wil enkele gesprekken i.v.m. relatieproblemen, maar het indicatieteam heeft bedacht dat hij ook veel aan PMT kan hebben. Dus gaat hij ook nog een middag in de week extra naar groeps-PMT, waardoor hij in tijdnood komt, hetgeen de problemen doet verergeren.

3. Affiniteit: client zou graag muziektherapie krijgen, omdat hij daar eerder positieve ervaring mee opdeed. De RIAGG heeft dit echter niet in het aanbod, dus wordt hij naar PMT (dat is tenslotte ook een vaktherapie …) verwezen. En dan maar afwachten of het helpt!

 


Kort samengevat: een goede indicatiestelling verloopt in drie fasen:

1.       men bepaalt een globale indicatie voor een specifieke therapievorm, specifiek denkend aan regulatieproblemen op het gebied van stemming, angst & spanning, lichamelijke gevoelens of prikkels & gedrag

2.       men kiest de juiste methodiek aan de hand van de dimensies actie, expressie en interactie

3.       men overweegt of er redenen zijn om deze behandelvorm niet aan te bieden: hulpvraagproductie, overkillo of gebrek aan affiniteit.

 

Ik hoop u hiermee enkele gedachten te hebben meegegeven, die relevant zijn bij indicatiestelling voor vaktherapie. Zoals eerder gesteld, is de vaktherapie als behandelvorm in hoog tempo volwassen aan het worden. Laten we het spelen daarbij niet vergeten, en laten we onze rationaliteit op zodanige wijze inzetten, dat wensen en fantasieën niet verloren gaan. We hebben een kleurrijk vak, en dat moet het blijven.

 

 


* * *

Bronnen

 

Baardman, I. (1989). Ingebeelde lelijkheid. Academisch proefschrift. Amsterdam: VU Uitgeverij.

Bosscher, R.J. (1991). Running therapie bij depressie. Academisch proefschrift. Amsterdam: Thesis.

Emck, C. (1997). Eeen diagnostische procedure voor psychomotorische therapie. Bewegen & Hulpverlening, 14: 127-141.

Emck, C. (1998). Stress Management Training voor jongeren met psychotische stoornissen. Leuven: Acco.

Emck, C. & Smit, Ch. (2000). Wat beweegt hen? Over adolescenten en psychomotoriek. In J. Vandeputte, J.Buitelaar, P.Cohen-Kettenis & W.Matthys (red). Uit de kinderschoenen- 60 jaar Kinder- en Jeugdpsychiatrie UMC-Utrecht. Assen: Van Gorcum.

Fahrenfort, J. (1987).  Psyhomotorische Therapie.  Een onderzoek naar hett gebruik van bewegings- en lichaamgeörienteerde methoden in de psychiatrie. Amsterdam: VU Uitgeverij.

Hutschemaekers, G. & Neijmeijers, L. (1998). Beroepen in beweging. Professionalisering en grenzen van een multidisciplinaire GGZ. Utrecht: Trimbos Instituut / Houten: Bohna Stafleu Van Loghum.

Jol, D. & Meijden van der Kolk, H. van (2000). Producten psychomotorische therapie voor de behandeling van mensen met angststoornissen. In: M. van Hattum & G. Hutschemaekers (red), In beweging. De ontwikkeling van producten voor psychomotorische therapie. Utrecht: Trimbos Instituut, pp 83-105.

Meijden van der Kolk, H. van & Jol, D. (2000). Producten psychomotorische therapie voor de behandeling van mensen met somatoforme stoornissen. In: M. van Hattum & G. Hutschemaekers (red), In beweging. De ontwikkeling van producten voor psychomotorische therapie. Utrecht: Trimbos Instituut, pp 105-117.

Nederlandse vereniging voor Psychomotorische Therapie (1995). Beroepsprofiel Psychomotorisch Therapeut. Amersfoort: NVPMT.

Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (1998). Modulen. Amersfoort: NVPMT.

Neijmeijer, L., Wijgert, J. van de & Hutschemaekers, G. (1996). Beroep: vaktherapeut / vakbegeleider. Utrecht: NcGV

Petzold, H. (1998). Integrative Leib- und bewegungstherapie. Paderborn: Junfermann Verlag.

Probst, M. (1997). Body Expierience in eating disorder patients. Dissertatie. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven.

Rebergen, G. (1990) Wat te doen met wie? Uitgave in eigen beheer. Deventer: Brinkgreve / Zwolle: Calo-Hogeschool Windesheim.

Rekkers, M. (2000). Producten psychomotorische therapie voor de behandeling van mensen met eetstoornissen. In: M. van Hattum & G. Hutschemaekers (red), In beweging. De ontwikkeling van producten voor psychomotorische therapie. Utrecht: Trimbos Instituut, pp117- 151.

Trimbos Instituut / CBO (2002). Werkgroep richtlijnontwikkeling in de GGZ.Utrecht:Trimbos Instituut / CBO. Publicaties in voorbereiding.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie