Gast auteur PMT Info Site

december 2002




The only way is up. Over een toekomst als vaktherapeut.*

Deel 1. Over management en het samenvoegen van psychomotorisch therapeuten en creatief therapeuten.


Rene Benneker


Kleine geschiedenis van het begrip 'vaktherapie'
Alvorens in te gaan op mijn idee over de toekomst van de vaktherapieën, eerst iets over de geschiedenis.
Het begrip ‘vaktherapie’ is in mijn blikveld voor het eerst officieel gebruikt in een van de studies van het Trimbos instituut over de beroepsgroepen in de GGZ. In wat ik voor het gemak altijd de 'patatsnijder van Chiel Hutschemaekers' noem, zijn sommige beroepsgroepen in de GGZ (psychotherapeuten) onbarmhartig gesneuveld en andere op even onbarmhartige wijze samengevoegd of, wellicht beter, samengeveegd.
Deze operatie kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Het was voor een buitenstaander een onduidelijk en ondoorzichtig veld, die GGZ. En aangezien ‘transparant’ het nieuwe modebegrip is waarmee u uw manager onmiddellijk plat kunt krijgen, zal het u duidelijk zijn dat dit ondoorzichtige veld transparant gemaakt moest worden.
Transparant betekent, zoals u weet, ‘doorzichtig’. En u weet waarschijnlijk ook, dat het eerste grote succesverhaal over transparantie, ‘De nieuwe kleren van de keizer’ heet.
In dat sprookje wilde de keizer dat men hem zag in al zijn luister, maar men zag hem in zijn blootje. In het sprookje waarin u figureert wil de minister u graag zien, 'stripped to the bare'.

De manager te lijf
Wat u zou moeten willen, daarover kom ik later nog te spreken. Op dit moment volstaat het om te constateren dat het begrip vaktherapeut is geïntroduceerd binnen de GGZ, om het voor buitenstaanders mogelijk te maken uitspraken te doen over dit veld. Uitspraken die gaan over de verschillende beroepsbeoefenaren binnen de GGZ. Uitspraken die gaan over wat het domein is van deze beroepsbeoefenaren. Uitspraken die gaan over de ‘toegevoegde waarde’ van deze beroepsbeoefenaren, wederom een begrip waarmee u de hedendaagse manager te lijf kunt.
Ik ben jaren werkzaam geweest als manager, al was dat niet in de GGZ en niet op uw specifieke terrein. Deze termen klinken mij als muziek in de oren. Wat is er mooier dan dat ik, als manager op mijn computerscherm een spreadsheet ziet verschijnen met in de linkerkolom de verschillende professionals die binnen de GGZ werkzaam zijn, een kolom verder het resultaat waarop deze mogen worden aangesproken, een kolom verder hoeveel tijd ze ervoor nodig hebben om dat resultaat te behalen en weer een kolom verder de uurprijs van de betreffende professional, inclusief bijkomende materiële kosten.
Het tweede blad van deze spreadsheet geeft in de linkerkolom alle cliënten. De volgende kolom wat er aan gesleuteld moet worden. Weer een kolom verder de therapeutische mogelijkheden van de verschillende beroepsgroepen die de manager via de patatsnijder van Hutschemaekers ter beschikking staan met hun relatieve werkzaamheid.
Het derde blad, dat is dan mijn speelveld als manager. Ik kan achter mijn desktop het ideale weekprogramma samenstellen met de meest efficiënte en effectieve behandelmix (weer twee termen die u absoluut moet onthouden).
De manager heeft helaas zo’n negatief imago bij de professional, ik hoop u hiermee aangetoond te hebben dat ook hij of zij als het goed is een homo ludens is als u, alleen met een andere opdracht in het leven.

Drie besturingsmodellen
Al deze ontwikkelingen en ideeën gaan uit van een bepaalde visie op hoe processen bestuurd moeten worden. De patatsnijdervisie is in mijn ogen een beheersvisie, die rust op het fundament van de prototype bestuur en management zoals ik u dat zoëven heb geschetst met mijn spreadsheetbestand. In de GGZ, zoals overal in de GZ is dat een reactie op een ander besturingsmodel: de professionele besturing. We zien in en om de GZ een maatschappijbrede discussie over de clash tussen deze twee besturingsmodellen. De LPF is groot geworden met te pleiten voor de terugkeer van de professionele besturing als reactie op een te ver doorgeschoten managementmodel, vaak vertaald in de opvatting dat alles wat er in de GZ fout gaat de schuld is van een overdaad aan managers (liefst interim). De dokters weer aan de macht en soms wordt daar plichtmatig bij geroepen: en de zusters ook. Helaas voor u heb ik nog niemand in dat verband horen roepen om de (vak)therapeuten aan de macht.

Een derde visie die dominant aan het worden lijkt is die van de vrije markt.
De besturing van de zorgprocessen vindt plaats via de portemonnaie van de cliënt, waarin de individuele zorgbudget-eurocentjes branden om uitgegeven te worden. De cliënt kan kiezen voor de verschillende zorgaanbieders om zijn problemen te lijf te gaan. Aangezien we in Nederland niet echt houden van het soort oncontroleerbare processen die daarvan het gevolg kunnen zijn (meestal betiteld met ‘Amerikaanse toestanden’) wordt dit omgeven met dusdanige randvoorwaarden en beperkingen dat het nog wel mee zal vallen met die marktwerking. Of tegen, afhankelijk van het perspectief dat u kiest.

Ik schets u het amalgaam van besturingsvisies om aan te geven waar nu opeens zoiets als het idee ‘vaktherapie’ vandaan komt en vooral waarom het zo’n succes lijkt te worden. Want, welke besturingsvisie u ook kiest, er is altijd een ander dan u die het voor het zeggen heeft: de manager, de directeur geneesheer of de cliënt.
Gemeenschappelijk aan deze drie is dat zij een besluit zouden kunnen nemen om in het kader van een behandelingsprogramma professionals zoals u in te schakelen, met een vak waarvan zij inhoudelijk weinig tot niets af weten. Zo’n keuze is moeilijk, zeker omdat uit hetzelfde onderzoek van het Trimbos instituut is gebleken dat eigenlijk alle beroepsgroepen vinden dat zij alles kunnen en doen.
In dergelijke situaties is het dan plezierig dat de keuzemogelijkheden beperkt worden. Ik koop twee keer per jaar mijn kleding in een winkel waarvan ik weet dat men daar kleding verkoopt die ik over het algemeen leuk vindt en die in mijn prijsklasse past. Ik beperk bewust mijn keuzes omdat ik geen tijd heb om alle winkeltjes af te gaan, zoals vroeger toen ik meer tijd en minder geld had dan nu.
Ik wil mezelf niet als voorbeeld stellen voor de kledingkopende bevolking van Nederland, maar ik hoop dat u mijn punt kunt volgen. Zolang bijvoorbeeld de psychomotorische therapeuten niet aan kunnen tonen dat bijvoorbeeld een bepaald soort depressie bij een bepaalde patiëntencategorie het beste met een bepaalde vorm van bewegingstherapie kan worden behandeld, past het u niet al te gekwetst te reageren als men u op een grote hoop schuift met andere beroepen in de GGZ. Dit geldt trouwens niet alleen voor u of de vaktherapeuten: iedere beroepsgroep moet zijn eigen toegevoegde waarde aantonen.
En zij die dat op één hoop schuiven doen hebben groot gelijk: alleen onderscheid maken als het er overduidelijk is. Het is al mooi meegenomen dat we blijkbaar in de ogen van derden iets anders doen dan activiteitentherapeuten en bewegingsagogen.

PMT en CT samen. Vanzelfsprekend toch?!
Maar toch, waarom wordt u (psychomotorisch therapeut) met de creatief therapeuten op die hoop geschoven. Waarom worden daar wellicht ook de speltherapeuten aan toegevoegd. Waarom niet de ergotherapeuten, waarom niet de activiteitentherapeuten. Blijkbaar is het zelfs voor die bestuurlijke managementhorken duidelijk dat er iets gemeenschappelijks bestaat tussen de beroepsgroepen die met vaktherapie worden betiteld.
De 'Cono-kamer vaktherapeuten' heeft aan een commissie waarvan ik deel mocht uitmaken verzocht een ontwerp te maken voor een te starten opleiding vaktherapeut GGZ. In deze commissie, met warempel niet de minste vakbroeders en zusters is een poging gewaagd een aantal gemeenschappelijke kenmerken van de vaktherapieën te benoemen. Men kwam op het volgende rijtje:

Het betreft een experientiële therapievorm, hiermee wordt in dit verband een therapievorm bedoeld waarbij de vaktherapeut een situatie arrangeert met de bedoeling dat de cliënt specifieke ervaringen kan opdoen. De vaktherapeut arrangeert deze situaties vanuit een specifieke deskundigheid in en met behulp van de methoden en technieken van een eigen vakgebied. Er zijn op dit moment vijf vakgebieden: psychomotorisch, muziek, beeldend, drama en dans.
Binnen de gearrangeerde situatie vindt een systematisch proces van interventie door de vaktherapeut plaats, waarbij de vaktherapeut de cliënt helpt met het beantwoorden van zijn of haar hulpvragen door gebruik te maken van de eigen wetmatigheden van het gebruikte vakgebied.
De essentie is echter de ervaring: er wordt ter plekke iets gedaan en dit is de basis voor het verder beïnvloeden van gedrag, gedachten en gevoelens. Het opdoen van de ervaring op zich wordt verbonden met een proces van betekenisverlening aan de opgedane ervaring. Deze betekenisverlening (meestal door middel van het bespreken van de ervaring) is een noodzakelijk onderdeel van het therapeutisch proces.
Het werken binnen een vakgebied en het plegen van interventies vanuit dit vakgebied gebeurt op basis van indicatiestelling voor deze vorm van therapie. De therapie kan worden ingezet in de volledige behandeling van sommige problematiek (bijvoorbeeld in de eigen praktijksituatie).
Daarnaast geeft de vaktherapie bij bepaalde problematieken of indicatiegebieden als hulpdiscipline een toegevoegde waarde aan de behandeling, doordat de problematieken beter of sneller benaderbaar zijn, of doordat de hulpvraag van de cliënt effectiever of efficiënter met een vorm van vaktherapie beantwoord wordt dan met één van de andere behandelende disciplines in de GGZ.
Dan zijn er nog wat specifieke uitspraken over indicaties en contra indicaties. Met betrekking tot de kennis over indicatiestelling voor vaktherapie en de daarin toe te passen behandelprotocollen wordt het volgende ontwikkelmodel gehanteerd:

Expert-based
Consensus-based
Evidence-based

Toen ik de rapportage toelichtte bij de opdrachtgever, bestaand uit zo mogelijk nog gerenommeerder vakbroeders en-zusters, zal het u niet verbazen dat er zich onmiddellijk een discussie ontspon over dit rijtje. Gelukkig hadden we slechts anderhalf uur, en de rapportage bestond uit veel meer dan dit onderdeel, anders werd er nu nog steeds gehaarkloofd over iedere regel en ieder woord. De belangrijkste conclusie was ‘dat we nu tenminste iets hebben om op te schieten’ als ik het me goed herinner.

Hiermee kom ik op het tweede deel van mijn verhaal.

Wat kunnen PMT’ers (af)leren van eerdere pogingen overkoepelende begrippen als ‘creatieve therapie’ vorm te geven?

(Deel 2 in januari 2003)

* 'The only way is up' is de tekst van Benneker's bijdrage aan de studietweedaagse van de NVPMT in november 2002. Zijn lezing wordt in drie delen gepubliceerd op de PMT Info Site.
De NVPMT heeft een boek uitgegeven waarin alle bijdragen aan de studietweedaagse zijn opgenomen, m.u.v. de tekst van Benneker.De inhoud van dit boek is te vinden in de bijlage bij de rubriek gastauteur.


* * *




Rene Benneker is dramatherapeut, bestuurskundige, Voorzitter Stichting Registratie Creatieve Therapie, zelfstandig gevestigd als adviseur op het gebied van verandermanagement.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie