Gast auteur PMT Info Site
'The only way is up.' Over de toekomst van de psychomotorisch therapeut als vaktherapeut. Deel 2.
Wat PMT’ers kunnen(af)leren van eerdere pogingen overkoepelende begrippen als ‘creatieve therapie’ vorm te geven.
Rene Benneker
Dit is het tweede deel van de lezing die Rene Benneker gaf op het symposium van de NVPMT op 1 en 2 november. Zie ook de bijlage bij de nieuwsbrief
Creatieve therapie in meervoud
Zoals u intussen weet ben ik als creatief therapeut begonnen. Met deze term werd oorspronkelijk een activiteit aangeduid die we tegenwoordig ‘beeldende therapie’ of, meer modern ‘arttherapy’ noemen. Ergens in de zestiger jaren, toen creativiteit in de mode was, groeide de gedachte om dramatherapie en muziektherapie, waarmee door psychiaters ook al was geëxperimenteerd, ook creatieve therapie te gaan noemen. Ik doe daar nu wat badinerend over, maar men was er in die tijd oprecht van overtuigd dat creativiteit en vrije expressie (we leven in de tijd van Bastiaans met zijn LSD therapie) een toegevoegde waarde had in de behandeling van psychiatrische problematiek. Het begrip toegevoegde waarde werd toen geloof ik nog niet gebezigd, maar toen waren er ook nog geen managers in de GGZ.
Geheel gebaseerd op een 'nurture' perspectief en zwaar leunend op de psychoanalyse werd de ‘creatieve procestheorie’ ontwikkeld. Tevens ontstond de eerste HBO opleiding voor creatieve therapie te Middeloo, al spoedig gevolgd door 'Jelburg' en de 'Kopse Hof'. Ook wel bekend als de roemruchte ‘Mikojel’ opleidingen (we zijn intussen aangeland in de zeventiger jaren, de tijd van de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar).
Er ontstond dus, ik vermoed zonder dat dit in den beginne door iemand bewust gepland of zelfs voorzien is, een infrastructuur rondom het begrip creatieve therapie: beroepsopleidingen, een beroepsvereniging, een beroepscode, een kwaliteitsregister en een geschillencommissie: alle parafernalia van de gehoopte macht waren aanwezig. Er ontstonden zelfs geheel nieuwe loten aan de CT stam: danstherapie en tuintherapie.
Creativiteit: een leeg begrip?
Tegelijkertijd is er vanaf het begin een zware discussie geweest over de identiteit van het beroep. De muziektherapeuten waren het meest dissident en er is nog altijd een aparte 'Stichting voor Muziektherapie'. Relatief de minste muziektherapeuten zijn lid van de beroepsvereniging. Zij herkennen zich het minst in het label creatieve therapie, misschien omdat creativiteit niet het meest op de voorgrond treedt als dominant aspect binnen de muziektherapie. Een eigenlijk, als u mijn vakgenoten vraagt wat ze zijn, zullen de creatief therapeuten muziek zich muziektherapeut noemen, de creatief therapeuten drama, noemen zich dramatherapeut, etcetera. Het begrip creativiteit bleek niet het theoretische ankerpunt te zijn waar een beroepsgroep zich inhoudelijk aan kon bevestigen. Het speelt geen enkele rol in het wetenschappelijk discours over psychiatrische ziektebeelden en de behandeling daarvan. De toepassing van specifieke vakgebieden als muziek en beeldend vormen hebben bijvoorbeeld wel hun wetenschappelijk gefundeerde wortels in de psychiatrie gevonden. Dit is onlangs weer eens aangetoond in het onlangs afgeronde proefschrift van beeldend therapeut Marijke Rutten, dat trouwens een sterk bewegingsgeoriënteerde inslag heeft.
Al met al heeft de invoering van het begrip ‘creatieve therapie’ in de vorm waarin het gebeurd is een in mijn ogen negatieve invloed op de ontwikkeling van de onderliggende vakgebieden gehad en ook op de ontwikkeling van de betreffende beroepsopleidingen. De identiteit werd op de verkeerde plaats gezocht en dus ook niet gevonden. En wat is daar een energie mee verloren gegaan. Een eenmaal ingeslagen pad blijkt op zo’n moment dan ook moeilijk te verlaten.
En nu staan we voor een soortgelijk moment in de geschiedenis.
Vier strategieën
De zestiger jaren, Freud en de vrije expressie zijn ver weg. De 21e eeuw is begonnen met de in het vorige decennium tot bloei gekomen evidence based, zakelijke en resultaatgerichte cultuur. In die sfeer is de overkoepelende term ‘vaktherapie’ ontwikkeld, zonder franje, zonder verbeelding, zonder inhoudelijkheid.
En de leegte die hier gecreëerd is gaat gevuld worden, of u wilt of niet. Als we niet uitkijken ontstaat er zonder enige planning en zonder inbreng van creatief- en psychomotorisch therapeuten een nieuwe infrastructuur waar deze niet om gevraagd hebben. En dat zou kunnen leiden tot weer veertig jaar gekissebis over identiteit van een woord dat geen verbintenis heeft met een relevante inhoud. Maar het zijn dan niet meer de creatief therapeuten alleen die hierover kissebissen, nee ook de psychomotorisch therapeuten doet gezellig mee. Ik wens 'ons' iets anders toe.
Wat zijn de verschillende mogelijkheden die de psychomotorische therapeuten en de beroepsvereniging hebben om te reageren op de ontwikkeling van de ‘vaktherapie? Ik zal er vier noemen:
1. Negeren
2. Verzetten
3. Omarmen
4. Gebruiken
1. Negeren
Het negeren van ontstaan en ontwikkeling van het begrip ‘vaktherapie’ is iets wat nogal eens voorkomt. Toen ik dit verhaal schreef was ik bijvoorbeeld erg benieuwd hoevelen van u dit een boeiend onderwerp vinden en na de lunch niet in slaap zijn gevallen.
Het is op zich niet vreemd dat de gemiddelde professional die gewoon aan het werk is een dergelijke ontwikkeling als wat verder van zijn bed ervaart. Ik denk dat het op het niveau van beroepsvereniging en opleiding een gevaarlijke strategie is, omdat de omgeving van de GGZ er al vanuit gaat dat de vaktherapie bestaat.
Ik kan u als voorbeeld geven dat ik, toen ik de subsidiemogelijkheden onderzocht voor de invoering van het nieuwe registratiesysteem van creatief therapeuten, bij het ministerie van VWS als antwoord kreeg dat men, als daar al interesse voor zou bestaan, dit alleen zou doen op voorwaarde dat het op het niveau vaktherapie zou worden geregeld. Ik voorspel dat dit bij iedere ontwikkeling waar externe steun voor noodzakelijk is binnen de GGZ, of het nu CAO onderhandelingen, functiewaardering, BIG registratie, erkende en gesubsidieerde nascholing, tarivering of verzekeringen betreft, van u (PMT-ers) , van ons (CT-ers) verwacht gaat worden dat we samen optrekken als vaktherapeuten.
Op individueel professioneel niveau kunt u dit alles nog negeren, maar het is nu al zo dat er instellingen zijn waar men een cluster of afdeling ‘vaktherapie’ aan het benoemen zijn. En werkgevers deinzen er niet voor terug om bij een dergelijk cluster meteen activiteitenbegeleiders, systeemtherapeuten of maatschappelijk werkenden onder te brengen, juist omdat de term ‘vaktherapie’ zo neutraal klinkt. U zult begrijpen dat dit tot een begripsverwarring leidt die zeer te nadele werkt van u als geprofileerde beroepsbeoefenaar. Het is, bij wijze van spreken, al erg genoeg voor u om met creatief therapeuten op één hoop gegooid te worden. Het negeren van de individuele beroepsbeoefenaar van de ontwikkeling van de ‘vaktherapie’ is op termijn in zijn nadeel.
2. Verzet
Het verzetten tegen deze ontwikkeling uit zich bijvoorbeeld in de behoefte steeds weer uit te leggen dat '...de vaktherapie een puur administratief gebeuren is, dat de ‘vaktherapeut’ niet bestaat en dat we nog steeds alleen te maken hebben met psychomotorische therapie en creatieve therapie. De ontwikkeling van de vaktherapie is een betreurenswaardige ontwikkeling, doet geen recht aan de eigenheid van de onderliggende disciplines. We moeten daarom streven naar een eigen erkenning als psychomotorisch therapeut in de GGZ en dit borgen in de BIG wet...etc'
Ik wens diegenen die dit verkiezen als externe profilering veel succes toe, want ze zullen het in mijn ogen hard nodig hebben. Het is kort gezegd een 'mission impossible', zoals ik in het voorgaande al heb geprobeerd te onderbouwen. Iets anders is, dat ik er persoonlijk heilig van overtuigd ben dat zij in hun redenatie eigenlijk groot gelijk hebben. In mijn huidige werk begeleid ik veranderingsprocessen in organisaties en ik ben er van overtuigd geraakt dat het een wetmatigheid is dat niemand het leuk vindt als er een verandering over hem heen komt. Iets anders is dat iedereen een door hem zelf gewilde verandering meestal het liefst gisteren gerealiseerd had gezien. Deze twee wetmatigheden komen met elkaar in strijd als een directie of een minister een grote behoefte heeft aan een verandering (bijvoorbeeld een fusie of een transparanter beroepsveld in de GGZ) en dat dus het liefst gisteren gerealiseerd had gezien. De mensen die het betreft krijgen deze verandering over zich heen, vinden het dus niet leuk, hebben er niet om gevraagd en zien vele nadelen van de voorgestelde verandering. En ze hebben nog gelijk ook, want iedere verandering impliceert een stukje afbraak, desinvestering en weggooien van goede en dierbare dingen. Maar het tragische is, dat het allemaal toch gebeurt.
3. Omarmen
Een geheel omgekeerde reactie op de ontwikkeling van de vaktherapie is het omarmen. U zou het ontstaan van de vaktherapie als de geboorte van een geheel nieuwe inhoudelijke ontwikkeling kunnen omarmen. In het voorgaande heb ik u al laten zien hoe de commissie keek naar de gemeenschappelijke kenmerken van de vaktherapie. Als ik dat even in zijn inhoudelijke kern samenvat ziet het er zo uit:
Met het begrip vaktherapie is een therapievorm bedoeld waarbij de vaktherapeut een situatie arrangeert, vanuit een specifieke deskundigheid in een eigen vakgebied, met de bedoeling dat de cliënt specifieke ervaringen kan opdoen. De opgedane ervaring is de basis voor het verder beïnvloeden van gedrag, gedachten en gevoelens en wordt verbonden met een proces van betekenisverlening aan de opgedane ervaringen.
Los van de vraag of u het hier nu inhoudelijk helemaal mee eens bent: daar staat iets moois. Daar kun je mee de boer op. Ik zie al conferenties, leergangen, opleidingen, bij- en nascholingstrajecten voor me over het ervaringsgerichte werken. De ervaring als basis voor de vaktherapeutische interventie. Het wezen van de ervaring in het psychotherapeutische proces. Het gaat ook niet om zo maar ervaringen: nee het gaat om ‘specifieke’ ervaringen. Op zoek naar de specificiteit van de ervaringsgerichte benadering van vaktherapie bij criminele adolescenten van Marokkaanse afkomst, ziet u het artikel in het MGV al voor u?
U begrijpt misschien mijn huiver voor deze ontwikkeling, omdat ik een parallel zie met de geschiedenis van de creatieve therapie, toen alle heil in de creativiteit werd gezocht. Het is de vraag of het begrip ervaring zoals dat in de verschillende disciplines een rol speelt wel voldoende theoretische body heeft om er een hele nieuwe school op te bouwen.
4. Gebruiken...
De vierde benadering die ik noemde spreekt mij altijd erg aan bij wat voor ellende er ook over u heen wordt gebracht door de bevoegde autoriteiten: het gebruiken. Ik kan me herinneren dat er in de tachtiger jaren in een vaktijdschrift een artikel verscheen over psychotherapie gebaseerd op 'the Art of War,' een werk van Sun Tzu. Dit werk heeft mij misschien wel het meest geïnspireerd in zowel het werken met cliënten als, nu, het werken met managers.
Sun Tzu was een soort Macchiavelli van het China van waarschijnlijk de zevende eeuw van onze jaartelling. Het boek ‘ The Art of War’ is gezet in de context van een turbulente periode in de Chinese geschiedenis van weer duizend jaar eerder en is een soort advies aan krijgsheren over hoe oorlog te voeren en strijd te leveren. In het artikel worden de uitgangspunten van de benadering van Sun Tzu vertaald naar de psychotherapeutische context. Er is veel te vertellen over dit rijke boek, maar ik beperk me tot het hier belangrijkste: het winnen van een strijd door op verborgen wijze gebruik te maken van de beweging van de tegenpartij. De beoefenaar van een Oosterse vechtsport zal dit principe herkennen.
Vertaald naar de vaktherapie betekent dit dat u zich zou kunnen bezinnen over hoe u de ontwikkeling van de vaktherapie het beste kunt gebruiken om uw eigen doelstellingen te behalen. Hoe u de gedwongen samenwerking met andere disciplines binnen de GGZ kunt omdraaien in een kans voor uw discipline. Want ik ben er heilig van overtuigd dat de kracht van de vaktherapie zit in uw specifieke vak: de psychomotorische therapie. Kracht moet echter gericht worden om een effect te bereiken. Hoe beter u richt en concentreert hoe harder de klap aankomt. En voor het richten en concentreren van deze kracht kan een ontwikkeling als vaktherapie prima gebruikt worden. Ik zou dus de vaktherapie niet zozeer met veel emotie maar vooral met veel rationaliteit willen benaderen. En om te kunnen richten moeten we eerst kijken naar wat er om ons heen gebeurt.
Einde deel 2
Slot volgt in februari.
Rene Benneker is dramatherapeut, bestuurskundige, Voorzitter Stichting Registratie Creatieve Therapie, zelfstandig gevestigd als adviseur op het gebied van verandermanagement.
