Gast auteur PMT Info Site
Behandeling van daders en slachtoffers van relationeel geweld middels dramatherapie en psychomotorische therapie in een ambulante forensisch psychiatrische instelling. Deel 2
Door Antoine Bertens, dramatherapeut & Gisela Roethof, psychomotorisch therapeut
Dit artikel is overgenomen uit Konsten & Peters (2002) 'Terug naar de toekomst. De bijdragen aan het tweedaags symposium van de NVPMT november 2002'. Het artikel verscheen deze maand ook in het Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2003,3.
Deel 2 (slot).
3. Uitgangspunten van de module
3.1 De doelgroep
De behandelingsmodule richt zich op mannen die geweld plegen binnen hun relatie en op grond daarvan met justitie in aanraking komen. Onder 'geweld in de relatie' wordt verstaan: (herhaaldelijk) slaan, stompen, duwen, wurgen, bewerken met voorwerpen, etc. De respectievelijke slachtoffers en niet zelden ook hun mishandelende partners zijn vaak al bekend bij politie, maatschappelijk werk, slachtofferhulp, jeugdzorg, etc.
De daders uit het pilotproject hebben voordat zij instromen in de behandeling een voorwaardelijke straf opgelegd gekregen. Bovendien hebben zowel dader als slachtoffer een toestemmingsformulier voor deelname aan het pilotproject ondertekend. Beide partners hebben (vooralsnog) besloten om de relatie te continueren en beiden onderschrijven dat zij dit zonder geweldplegingen willen. Vaak waren de slachtoffers van het geweld al (meerdere keren) in Blijf Van Mijn Lijf huizen opgenomen en keerden telkens naar hun partner terug.
Daders en slachtoffers uit het patiëntenbestand van Kairos worden via de standaardprocedures die voor Kairos gelden voor het programma aangemeld.
3.2 Indicaties
Mannen vanaf 18 jaar die in de (huiselijke) relatie fysiek geweld gebruiken jegens hun partner. Van de mannen wordt verwacht dat zij hun gedrag als problematisch (gaan) zien en enig verband (kunnen leren) leggen tussen hun gewelddadig gedrag en hun psychische problematiek (waaronder impulscontrole stoornissen, narcistische persoonlijkheidstrekken, borderline persoonlijkheidstrekken, antisociale persoonlijkheidstrekken).
Vrouwen vanaf 18 jaar die in de relatie fysiek geweld ondergaan of ondergingen. Van de vrouwen is bij begin van de behandeling bekend dat zij de relatie met hun partner (vooralsnog) willen voortzetten. Bij de vrouwen is vaak sprake van onvermogen om eigen wensen, behoeftes en grenzen naar voren te brengen en te realiseren. Niet zelden zijn er eerdere geweldervaringen in hun eigen ontwikkelingsgeschiedenis
3.3 Contra-indicaties
Ontkenning van het gewelddadig gedrag
Afwezigheid van elk probleembesef bij de mannelijke deelnemer (dader).
Onvoldoende reflectiemogelijkheid op het eigen handelen (b.v. verstandelijke handicap).
Aanwezigheid van te grote psychiatrische aandoening (b.v. schizofrenie).
Primaire verslavingsproblematiek.
3.4 Doel
Het doel van de behandeling richt zich voor wat de daders betreft op het leren stoppen en beheersen van de gewelddadige handelingen.
Subdoelen hierbij zijn:
Beter kunnen voelen als (lichaams)spanningen oplopen en deze beter kunnen reguleren.
Beter zicht hebben op specifieke man/vrouw rolpatronen en daar beter mee om kunnen gaan.
Waar de behandeling zich richt op de partners (slachtoffers), is het algemene doel het bereiken van meer zelfvertrouwen en zelfbeschikking.
Subdoelen
Het kunnen onderkennen en benoemen van eigen behoeftes en wensen
Het kunnen onderkennen en aangeven van eigen (lichaams)grenzen.
4. Verloop van de behandelingen
Tijdens de looptijd van het pilotproject waren 9 partners (9 mannen en 8 vrouwen) hierbij betrokken. 5 verwijzingen kwamen uit de pilot, 4 partners kwamen uit het reguliere patiëntenbestand van Kairos. Met 8 partners is vooraf aan de behandeling een intakegesprek gevoerd, 1 dader van relationeel geweld werd voortijdig gedetineerd.
Twee echtparen zagen na de intake af van deelname aan de module pmt/dramatherapie maar werden wel in behandeling genomen in de psychotherapie. Eén echtpaar dat op vrijwillige basis het aanbod tot deelname kreeg, onttrok zich in zijn geheel aan de behandeling bij Kairos. Er waren enkele intake gesprekken met mannelijke daders van huiselijk geweld vanuit het patiëntenbestand die geïnformeerd werden over de module. In geen van die gevallen leidde dit vooralsnog tot het betrekken van de respectievelijke partner (slachtoffer) bij de behandeling.
Met 5 partners (5 mannen en 5 vrouwen) is met de module gewerkt. Daarnaast heeft er een behandeling middels de module met 1 koppel (man/man) plaatsgevonden waarbij enkel pmt toegepast werd. 3 partners (3 mannen, 3 vrouwen) zijn momenteel nog in behandeling.
Zoals eerder genoemd richtte zich de productbeschrijving / module op een groepsgerichte aanpak. De achterliggende gedachte en ervaring in het werken met andersoortige dadergroepen is dat een daderbehandeling in groepsverband een krachtiger middel is om (rol)gedrag te exploreren en te bewerken. Een groep 'ervaringsdeskundigen' is beter in staat om bij elkaar vermijdingen, bagatelseringen, denkfouten en minimaliseringen te herkennen en op te pakken. Een groep ervaringsdeskundigen die slachtoffer is van (vaak jarenlang bestaand) geweld in de relatie, zal bij elkaar de valkuilen van het isolement, de schaamte en schuld thema's, de gevolgen van de beschadigingen van de lichamelijke integriteit en het gebrek aan zelfbewustzijn, etc. herkennen. Ervaringen met vrouwengroepen in de vrouwenhulpverlening maken duidelijk dat socialisatievraagstukken in een groep eerder herkent, gedeeld en bewerkt kunnen worden.
De reden om af te wijken van het oorspronkelijke plan voor een groepsbehandeling lag met name in het feit dat de aanmeldingen vanuit de pilot niet gezamenlijk maar één voor één binnenkwamen. Bovendien was in de eigen instelling de 'cultuuromslag' (het inventariseren en problematiseren van huiselijk geweld bij patiënten uit het patiëntenbestand) nog in de beginfase. Daardoor was er nog geen aanbod voor het formeren van een groep. Uit eerdere ervaringen van alle betrokken functionarissen uit het pilotproject was duidelijk naar voren gekomen dat een behandeling van de dader van huiselijk geweld na het proces verbaal of de aanhouding zo spoedig mogelijk moet beginnen. Na het verstrijken van een bepaalde tijd blijkt de motivatie bij de dader (en ook bij het slachtoffer) beduidend minder te worden of zelfs te verdwijnen. In een later stadium verschilden de fases waarin zich de verschillende koppels bevonden dermate van elkaar dat een samenvoegen tot een groep geen reële optie meer bleek. Ook de hoogdrempeligheid van het programma werd duidelijk. Hierop komen we in de nabeschouwing terug.
We begonnen dus met de behandeling van een eerste casus vanuit de pilot, nauwelijks een week na de aanmelding via de casemanager van het pilotproject. We legden aan de betrokkenen uit dat het behandelprogramma in principe een groepsgerichte aanpak inhield en dat we desondanks al zouden starten. Opvallend was dat alle daders die we in het verloop van de behandelingen zagen grote weerstand toonden tegen een groepsbehandeling, hun partners daar in tegen waren in het algemeen juist zeer gemotiveerd voor een groepsgerichte benadering. Uitingen van schuld ('als anderen me hier zien dan wordt ik schuldig geacht, als ik door de stad loop, wordt ik herkend') en uitingen van schaamte ('wie zijn vrouw slaat is een lafaard') hoorden we bij de daders. De slachtoffers leken met name het doorbreken van het isolement als een motief voor deelname aan een groep te zien (en wellicht in sommige gevallen de wens 'om met z'n allen die kerels aan te pakken').
Bij de start van de behandeling werd door de therapeuten expliciet verklaard dat het eindigen van gewelddadige handelingen het voornaamste doel is. Alle partners stemden met deze doelstelling in. De slachtoffers uit de pilot hadden allen één of meerdere keren aangifte bij de politie gedaan. Vanaf de start van de pilot voerde de politie een beleid dat vastgelegd was in de pilotprocedure (o.a. doorverwijzing naar de hulpverlening).
In de eerste fase van de behandeling van een (echt)paar waren veiligheid, (zelf)vertrouwen en het aangaan van een samenwerkingsrelatie, zowel met de therapeuten als ook met elkaar, belangrijke items in de sessies. Het thema 'positie (in)nemen' werd ingevlochten in de kennismaking met elkaar en de kennismaking met het medium dramatherapie (dt) en psychomotorische therapie (pmt). Er werd onderzoek gedaan naar de positie die de partners ten opzichte van elkaar innamen, de positie van de therapeuten tov elkaar werd impliciet neergezet en de positie die de partners tov de therapeuten innamen werd geobserveerd. Er werd gebruik gemaakt van pmt vormen (positie tov elkaar innemen in de ruimte, controlled approach) en dt vormen (rollenspel, spiegelen, rolwissel, standbeeldentheater). Cruciaal voor het opbouwen van een behandelrelatie bleek het in deze fase te zijn dat de sessies goed afgerond werden, dat er duidelijke afspraken tussen de partners gemaakt waren (b.v. 'welke positie nemen we deze week tov elkaar in') en dat er 'veiligheidskleppen' aangebracht waren waarop men bij oplopende spanning terug kon vallen (b.v. tijdelijk uit huis gaan van de dader, telefonisch contact zoeken met de therapeuten).
In het verdere verloop van de behandeling werden spanningsverhogende situaties uit de thuissituatie geëxploreerd en werd de partners b.v. in een reconstructie met standbeelden in de vorm van een stripverhaal duidelijk hoe verschillend zij vaak spanningsverhogende situaties ervaarden, interpreteerden en hanteerden. Ook de overeenkomsten tussen de partners op andere momenten werden duidelijk gemaakt en de partners werden gestimuleerd om te leren om naast de verschillen met name ook de overeenkomsten in het hanteren van moeilijke situaties te herkennen en te benoemen. De vrouwelijke partner en therapeut verstonden elkaar in socialisatie thema's ('zo doen wij vrouwen dat…, want..'), de mannelijke partner en therapeut verstonden elkaar eveneens ('en dat begrijpen wij vaak niet, want wij doen dit anders…,want…').
Het thema 'grenzen' wekte in de meeste gevallen veel weerstand bij de betrokkenen op. Bij dit thema gaat het er als het ware om. De dader heeft de (lijfelijke) grenzen van het slachtoffer vaak herhaaldelijk en ernstig overschreden, het slachtoffer heeft deze vernederingen vaak lang moeten ondergaan en verborgen gehouden.
Het (weer of voor het eerst) leren samenwerken met elkaar kon in rollenspel, naspeelsituaties en bewegingsopdrachten vorm gegeven worden. Verschillen en overeenkomsten in ervaringen bij diverse dagelijkse situaties werden in ct of pmt arrangementen expliciet, eveneens als de verschillen en overeenkomsten in het signaleren van en omgaan met eigen gevoelens en die van de ander. Het teruggaan naar de eigen ontwikkelingsgeschiedenis was bij tijd en wijle noodzakelijk om het werken in het hier-en-nu weer “vlot” te kunnen trekken.
Markante momenten in de therapie waren die situaties waarin de spanning tussen de partners zo hoog op liep dat een koppeling gemaakt kon worden met de thuissituatie. De betrokkenen herkenden dan dat in dergelijke situaties thuis de mishandelingen plaats vonden. Anders dan verwacht liep dan bij thuiskomst de situatie niet uit de hand maar vertelden de partners achteraf dat het een opluchting voor hun betekende dat de explosieve situatie in de therapie had kunnen gebeuren.
5. Nabeschouwing en eerste conclusies
Zoals gezegd is er met 5 paren (man-vrouw) gewerkt. In alle gevallen zijn de geweldadige handelingen naar zeggen van beide partners daadwerkelijk gestopt. Clienten gaven verder aan dat deelname aan het programma hen veel had opgeleverd. Op individueel vlak was duidelijk geworden wat de krachtige eigenschappen waren en waar de valkuilen lagen. Naast een beter contact met het eigen denken, voelen en handelen was er meer begrip ontstaan over de verschillen daarin bij de respectievelijke partner. Voor zover door de therapeuten in het verloop van de sessies kon worden waargenomen was het gedrag van beide partners veranderd. Men was in staat om beter dan voordien afspraken te maken en samen te werken. Men was beter in staat om de ruimte (afstand / nabijheid) van de ander te herkennen en te respecteren. Partners kwamen in het verloop van de therapie letterlijk meer naast in plaats van tegenover elkaar te staan. De mishandelende partner had meer controle over zijn spanningsopbouw en kon derhalve dreigende escalaties beter voorspellen en voorkomen.
De nameting vanuit het psychologisch onderzoek staat nog uit. In de voormeting werd het eerder genoemde beleid gevoerd. Interessant voor de behandeling bleek met name de uitkomst van de interpersoonlijkheid lijsten. In de meeste gevallen lag de eigen uitkomst en de uitkomst die door de partner gemaakt was extreem uit elkaar. Bij voorbeeld (gechargeerd): de vrouwelijke partner vindt van haarzelf dat zij een zorgende coping stijl heeft, de mannelijke partner vindt dat zij een aanvallende coping stijl heeft. De therapeuten hebben bij de start van de behandelingen eveneens deze vragenlijsten ingevuld. De uitkomst daarvan was dat hun profielen over en weer gelijk waren.
Follow-up gesprekken hebben nog niet plaatsgevonden.
Een eerste voorzichtige conclusie kan zijn dat de aanpak van de module effectief is geweest.
T.a.v. het uitgangspunt om met groepen te werken kan gezegd worden dat deze in eerste instantie om praktische redenen niet van de grond kwam en in tweede instantie te hoogdrempelig bleek. Binnen Kairos wordt momenteel een 'carrousel-groep' voor daders die huiselijk geweld plegen opgericht. In een cyclus van 6 sessies zullen basisthema's behandeld worden. De deelnemers zullen gelijktijdig in een soort verlengde intake/diagnostiek geobserveerd worden en er zal een screening voor de partner relatiegroep plaats vinden. Deze groep zal door een psychotherapeut en een psychomotorisch therapeut geleid worden.
De keuze voor 2 therapeuten (m/v) maakte dat identificatie van therapeut met één van de beide partners (m/v) eerder kon worden ondervangen. Het toepassen van dramatherapie en psychomotorische therapie bleek goed bij elkaar aan te sluiten. Er bestond in de therapieën de mogelijkheid om de cliënten enerzijds in het ‘hier en nu’ de spanningen te laten ervaren en hen direct te laten oefenen om daar anders mee om te gaan. Anderzijds bestond er de mogelijkheid om hen met wat meer distantie te laten ‘terugkijken’ op spanningvolle thuissituaties. Door ervaringen, opgedaan in lichaamsgerichte werkvormen, toe te passen in realistisch rollenspel werden de cliënten ondersteund in het maken van de transfer tussen therapie en dagelijkse leven.
In de evaluatie van het pilotproject huiselijk geweld van de gemeente Nijmegen, werden conclusies en aanbevelingen gedaan voor een verder te voeren beleid. Belangrijkste conclusie was dat de eerste ervaringen om daders en slachtoffers gezamenlijk hulp te bieden een positief resultaat gaf. De aanbevelingen waren o.a. dat de betrokken instanties verdere ondersteuning moesten krijgen in hun beleid in zake huiselijk geweld. Het voorstel was om de aanstelling van de projectmanager te verlengen om een verdere implementatie mogelijk te maken. Bovendien werd het (verder) ontwikkelen van een gezamenlijke cultuur tav huiselijk geweld binnen alle betrokken instanties aanbevolen.
Ook na de afsluiting van het pilotproject is de uitvoering van de module bij de forensisch psychiatrische polikliniek en dagbehandeling Kairos te Nijmegen voortgezet en wordt getracht om de integrale samenwerking met de verschillende instanties in Nijmegen te verstevigen.
Literatuur
Thompson, J., (1999). Drama workshops for anger management and offending behaviour, Jessica Kingsley Publishers, London
Project relationeel geweld gemeente Haarlem, zie www.huiselijkgeweldhaarlem.nl
(2001) Verslag conferentie ‘Tijd om nieuwe wegen in te slaan’, Alkmaar, MvV, 2001, 7/8
Jenkins, A., (1994), Interventies bij geweld en mishandeling in het gezin, Gezinstherapie, jrg. 5 nr. 3, blz. 227-252
Module Kuin, F., herziene versie Maastricht 6-1-2000
Dutton, D.G., Golant, S.K., Pijnaker, H., (2000) De Partnermishandelaar.
Norwood, R., Women who love too much, 1990
Herman, J.L. (1993) Trauma en herstel.
Tannen, D., (1992) Je begrijpt me gewoon niet
