Gast auteur PMT Info Site

december 2003




Verstoorde lichaamsbeleving bij mannen: muscle dysmorphia. Deel 1


Marlies Rekkers


Deze bijdrage verscheen eerder in Konsten, L. en Peters, M. (2002) 'Terug naar de Toekomst. De bijdragen aan de studietweedaagse van de NVPMT, 2002.

Inleiding
Niet alleen vrouwen kunnen last hebben van een negatieve of verstoorde lichaamsbeleving. Ook mannen blijken in toenemende mate, maar vaak onzichtbaar voor hun omgeving te lijden aan problematiek op het gebied van de lichaamsbeleving.
Op het internationale congres eetstoornissen, dat in april 2002 in Bostonplaats vond, hoorde ik voor het eerst over het syndroom 'muscle dysmorphia'; een variant van de stoornis body dysmorphic disorder. Katharine Phillips, hoogleraar psychiatrie aan de Brown Universiteit in Amerika hield op bovengenoemd congres een lezing over body dysmorphic disorder (BDD) bij mannen. Zij beschrijft patiënten met BDD als volgt: 'Mensen met BDD ontwikkelen een voor de gezondheid zeer schadelijke bezorgdheid over het feit dat er iets vreselijk mis is met hoe ze er uitzien. Dit terwijl ze in de ogen van anderen er normaal en goed uitzien. In de realiteit blijken hun uiterlijke defecten minimaal of zelfs niet te bestaan.' (Pope, Phillips & Olivardia, 2000)
Elk deel van het lichaam (huid, neus, buik, lengte, gewicht) kan focus zijn van deze obsessionele bezorgdheid.

Er bestaat geen eenduidigheid over de Nederlandse naamgeving voor body dysmorphic disorder. Veel auteurs hanteren de term dysmorfofobie. Else de Haan (2000) typeert dysmorfofobie als volgt: 'Een patiënt met dysmorfofobie is ervan overtuigd dat hij of zij er vreselijk uitziet. Zijn neus is niet goed, of zijn huid of haar. Vaak gaat het om kleine, vaak nauwelijks opvallende afwijkingen, zoals een enkel pukkeltje of een iets te grote neus. Anderen valt niets op, maar de patiënt wordt beheerst door de overtuiging een vreselijk uiterlijk te hebben, waardoor een normaal leven niet mogelijk is.' In de Nederlandse versie (bureau-editie) van de DSM-IV-TR (2001) wordt body dysmorphic disorder echter vertaald als: stoornis in de lichaamsbeleving en wordt de term dysmorfofobie niet genoemd. En tenslotte is er de naamgeving 'ingebeelde lelijkheid', die door Iman Baardman (1989) is geïntroduceerd. Iman Baardman ziet ingebeelde lelijkheid als volgt: 'Hét kenmerk van deze klacht is dat mensen zich inbeelden dat ze lelijk zijn. Het gaat in de praktijk om niet bestaande of heel sterk overdreven lichamelijke afwijkingen. De gedachten dat het bewuste lichaamsdeel zo lelijk of verschrikkelijk is, gaat dan het hele leven beheersen van de patiënt en wordt zo een obsessie. Het hele lichaamsbeeld valt samen met die ene, vaak verzonnen, afwijking.' (Dresselhuys, 2000). Ook deze beschrijving komt sterk overeen met hoe body dysmorphic disorder wordt beschreven.

Hoewel body dysmorphic disorder in de DSM-IV-TR (American Psychiatric Association, 2000) valt onder de somatoforme stoornissen, wordt deze stoornis door verschillende auteurs opgevat als een stoornis uit het spectrum van de obsessieve-compulsieve stoornissen. Katharine Phillips (1997) onderzocht de verschillen en overeenkomsten tussen body dysmorfic disorder en obsessieve-compulsieve stoornissen. De onderzoeksresultaten suggereerden dat body dysmorphic disorder en de obsessieve-compulsieve stoornissen meer overeenkomsten hebben dan verschillen en daarom erg nauw met elkaar verbonden zijn. Zij concludeerde op basis hiervan dat het billijk is om body dysmorphic disorder te rangschikken onder de obsessieve-compulsieve stoornissen In Nederland zijn er auteurs, die vinden dat dysmorfofobie eigenlijk moet worden gediagnosticeerd als sociale fobie en dat er dus sprake is van een angststoornis. Zij stellen dat de essentie van de klacht met name ligt bij de vermijding van sociale situaties en angst voor beoordeling van anderen en dat een behandeling met name gericht op de angst voor de beoordeling van anderen, voor een groot deel van de dysmorfofobici, goede resultaten lijkt op te leveren (Everts, 1988).
.

Wanneer er sprake is van een obsessionele preoccupatie met gewicht en lichaamsomvang kan dit leiden tot het ontwikkelen van een eetstoornis. Zowel in wetenschappelijke literatuur als in de populaire pers is de laatste tientallen jaren veel aandacht besteed aan het verband tussen een verstoorde lichaamsbeleving en eetstoornissen. Hoofdzakelijk gaan deze publicaties echter alleen over vrouwen. Ook in ons boek: 'Gewichtige Lichamen, lichaamsbeleving en eetstoornissen' (Rekkers & Schoemaker, 2002) zijn we voornamelijk uitgegaan van de (verstoorde) lichaamsbeleving van meisjes en vrouwen.
In haar lezing vroeg Katharine Phillips zich echter af waarom mannen en stoornissen in de lichaamsbeleving van mannen zo onderbelicht zijn gebleven. Dit is des te opmerkelijker, omdat er uit de diverse onderzoeken, die vanuit haar universiteit gedaan of geïnitiëerd zijn, blijkt dat hedendaagse jongens en mannen grote problemen kunnen hebben op het gebied van lichaamsbeleving. De verschillende soorten obsessies m.b.t. de lichaamsbeleving bij mannen vat zij samen onder de term 'Adonis complex' Ten gevolge van het Adonis complex kunnen jongens en mannen stoornissen ontwikkelen. Als er met name sprake is van een preoccupatie met gewicht en lichaamsomvang kan dit ontaarden in of een eetstoornis óf in muscle dysmorphia. Een eetstoornis kan ontstaan als de patiënt zich te dik vindt (teveel vet); muscle dysmorphia als de patiënt zich te dun vindt (te weinig spiermassa). Als het gaat om een obsessionele ontevredenheid en preoccupatie met andere lichaamsdelen, zoals bijvoorbeeld haargroei, lengte, grootte van de penis of vorm van de neus, dan kan dit leiden tot body dysmorphic disorder.

Vergelijking lichaamsbeleving mannen en vrouwen
De laatste 30 jaar is de ontevredenheid met het eigen lichaam opzienbarend gestegen. Uit onderzoek blijkt dat dit geldt voor alle leeftijden, zowel bij mannen als bij vrouwen. Bij mannen is de stijging echter dramatisch. Pope, Phillips en Olivardia (2000) spreken zelfs van een 'stille epidemie'. In het Amerikaanse tijdschrift Psychology Today werd in 1997 de uitslag van een grootscheeps onderzoek naar de lichaamsbeleving van mannen en vrouwen gepubliceerd (Pope, Phillips & Olivadia, 2000). Bijna de helft (43%) van de ondervraagde mannen was ontevreden met hun uiterlijk. Dit cijfer was bijna verdrievoudigd vergeleken met onderzoeksresultaten van 30 jaar geleden. Ook bleken de cijfers uit te wijzen dat mannen de vrouwen aan het inhalen zijn. In 1997 waren bijna evenveel mannen ontevreden over hun lichaam als vrouwen, terwijl in 1972 nog bijna twee keer zoveel vrouwen ontevreden waren vergeleken met mannen. Bij een vergelijking van meer specifiekere lichaamsdelen bleek zelfs bij het lichaamdeel borst, dat mannen daar in 1997 inmiddels hoger op scoorden qua ontevredenheid dan vrouwen.
Een andere verrassende uitkomst van het onderzoek was de reactie van de mannelijke participanten op de vraag: 'Hoeveel jaar van je leven zou je willen opofferen voor het verkrijgen van je ideale gewicht?' Bij 3 jaar zeiden 24% van de vrouwen ja , maar ook 17% van de mannen. Bij 5 jaar zeiden zelfs nog 11% van de mannen ja!
Wiseman e. a. (2002) onderzochten de verschillen in lichaamsbeleving tussen 11 en 12-jarige jongens en meisjes. Er waren geen significante verschillen tussen jongens en meisjes wat betreft de variabele gemiddeld BMI (meisjes 18, 7 versus jongens 19,1).
Het onbreken van significante verschillen tussen de verschillende seksen ten aanzien van ontevredenheid over het eigen lichaam, drang naar slankheid en zelfwaardering waren echter wel onverwachte uitkomsten. Onderzoeken uit de jaren 80 en begin 90 met betrekking tot dezelfde leeftijdscategorie als in het onderzoek van Wiseman e.a. wezen immers uit dat meisjes ontevredener waren over hun lichaam en een grotere drang naar slankheid hadden dan jongens.
Nog twee noemenswaardige conclusies van het onderzoek van Wiseman e.a. waren: 'Zowel bij de jongens als de meisjes was er sprake van een negatieve correlatie tussen zelfwaardering en ontevredenheid met het lichaam, c.q. drang naar slankheid.' en ' Jongens die zwaarder zijn scoren hoger op de drang naar slankheid dan meisjes met dezelfde BMI'.

Rita DeBate (2002) onderzocht de ontevredenheid ten aanzien van
lichaamsomvang van 583 mannelijke en vrouwelijke triathleten van 18 jaar of ouder. Opmerkelijke resultaten van dit onderzoek zijn:
* Mannen beleven zichzelf groter, breder dan hun berekende BMI (-1,92) én wensen zichzelf groter en breder dan hun uitgerekende BMI (-0,7)
* Vrouwen beleven zichzelf kleiner en dunner dan hun uitgerekende BMI (1,67)
én wensen zichzelf veel kleiner en dunner dan hun uitgerekende BMI (3,61)
* Van de mannen met een gezonde BMI, wensen 8% zichzelf groter en breder en 19,3% kleiner en dunner.
* 63% van de mannen verlangen ernaar om zwaarder te zijn, 37% wensen lichter te zijn.
* 3% van de vrouwen verlangen ernaar om zwaarder te zijn, 97% wensen lichter te zijn.

Een belangrijke conclusie wat betreft deze resultaten is allereerst dat blijkt dat mannen in dit geval mannelijke sporters, net als vrouwen worstelen met de mate waarin ze tevreden zijn over hun gewicht en de omvang van hun lichaam. Er is echter één groot verschil de mannelijke sporters zijn, hoewel ontevreden, verdeeld over hun gewenste afmetingen en postuur, terwijl de vrouwelijke sporters eensgezind reageren met hun wens om lichter te zijn.

Deze tweedeling blijkt ook uit het onderzoek van Marita McCabe (2001) Zij onderzocht de mate van verstoring van de lichaamsbeleving bij mannelijke adolescenten. Haar onderzoeksgroep bestond uit 2 groepen van 20 jongens. Eén groep met gemiddelde leeftijd van 12,5 jaar en de andere groep met gemiddelde leeftijd van 14,8 jaar. Beide groepen kregen vragen over het belang van en tevredenheid over hun gewicht, lichaamsomvang, lichaamsvormen en spiermassa. Vijftig procent van de jongens zouden hun lichaam willen veranderen, 12 jongens wilden gewicht verliezen, 8 jongens juist aankomen in gewicht. In plaats van het veranderen van eetpatronen bleek veeleer het doen van oefeningen de meest gebruikte strategie om dit te bereiken. Ook Furnham & Calnan (1998) vonden in hun studie naar lichaamstevredenheid bij mannelijke adolescenten, dat jongens die ontevreden zijn over hun lichaam in gelijke mate verdeeld kunnen worden in een groep die wil aankomen in gewicht en een groep die juist gewicht wil verliezen.
Met name mannen die juist willen aankomen in gewicht, vanuit de gedachte dat ze veel te dun zijn, lopen risico om het syndroom muscle dysmorphia te ontwikkelen.

Einde deel 1.

In deel 2 (januari 2004) kunt u lezen wat muscle dysmorphia inhoudt.

Zoeken

    Zoek

Feedback
Wat vind je van de site?
Heb je fouten gevonden?
Of wil je gewoon even iets kwijt over de site?

ons!

Nieuw op de site:

  • 01/09/10: oefenvormen: Onder sportspelen/ huiskamersetting / ouderen zijn opnieuw 2 oefenvormen geplaatst: Jeu de boules met pittenzakjes en Reactie rondspeelspel. Door Iriah.
  • 01/09/10: personeel aangeboden: De oproep van een kandidaat is geheel aangepast.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie