Gast auteur PMT Info Site

januari 2004




Verstoorde lichaamsbeleving bij mannen: muscle dysmorphia. Deel 2 (slot).


Marlies Rekkers


Deze bijdrage verscheen eerder in Konsten, L. en Peters, M. (2002) 'Terug naar de Toekomst. De bijdragen aan de studietweedaagse van de NVPMT, 2002.


Muscle Dysmorphia
De verstoorde lichaamsbeleving van mannen die lijden aan muscle dysmorphia lijkt veel weg te hebben van de verstoorde lichaamsbeleving die je ziet bij vrouwen (en mannen) met anorexia nervosa. Patiënten met anorexia nervosa vinden zichzelf te dik, terwijl ze in de realiteit vaak broodmager zijn. Patiënten met muscle dysmorphia vinden zichzelf te mager en schamen zich hiervoor, terwijl ze in de realiteit vaak fors en gespierd zijn. Aanvankelijk werd in de literatuur dan ook gesproken van 'bigorexia nervosa' en later van 'reverse anorexia'. Pope, Phillips & Olivardia (2000) besloten uiteindelijk, na een aantal jaar het syndroom bestudeerd te hebben om de naam te veranderenin muscle dysmorphia. Zij vonden deze term beter passen, omdat de mannen die lijden aan dit syndroom niet echt een eetstoornis hebben, zoals de aanvankelijke twee termen wel impliceerden.

Muscle dysmorphia is een ondergewaardeerde stoornis bij mannen en vrouwen, hoewel verreweg de meeste patiënten mannen zijn. Op internet vond ik een schatting dat tegenwoordig in Amerika meer dan 10 miljoen mensen, waaronder voornamelijk mannen, regelmatig een paar avonden per week 'gyms' (sportscholen) bezoeken. En dat ongeveer 1 procent van deze bezoekers (100.000) waarschijnlijk lijdt aan het syndroom muscle dysmorphia. Mannen met muscle dysmorphia vinden zichzelf te schriel, te dun, te weinig gespierd, te smal. Doorgaans zijn zij echter forser en gespierder dan de gemiddelde man. Om deze ingebeelde schrielheid te veranderen doen zij dagelijks aan bodybuilding thuis en/of in sportscholen, gebruiken zij in veel gevallen anabole steroïden of andere spierversterkende middelen en beperken zij zichzelf tot zeer stricte, vaak eenzijdige diëten. Er is sprake van een grote schaamte over hun lichaam. Vanwege deze schaamte dragen ze vaak wijde kleding of verschillende lagen kleding over elkaar om de vormen van hun lichaam te verbergen en vermijden ze situaties (kleedkamers, douches, strand, zwembad) waarin anderen hun ontblootte lichaam kunnen zien. De gevolgen van muscle dysmorphia kunnen zowel sociaal, psychologisch als fysiek (medisch) zeer ingrijpend zijn. Het elke dag/avond excessief moeten trainen heeft invloed op iemands sociale-, gezins-, en werkleven. De schaamte voor het ingebeelde te dunne lichaam werkt isolatie (door vermijding) in de hand. Het niet kunnen stoppen met trainen bij blessures kan leiden tot ernstige medische klachten. Het gebruik van spiervergrotende en spierversterkende middelen, zoals anabole steroïden kan niet alleen leiden tot gevaarlijke psychiatrische effecten zoals agressieve impulsdoorbraken of zware depressieve episodes, maar ook op langere termijn medische gevolgen hebben zoals het versneld dichtslibben van de aders en een vergroot risico op prostaatkanker. Deze medische gevolgen kunnen de levensverwachting aanzienlijk verkorten.

Pope, Phillips & Olivardia stelden de volgende formele diagnostische criteria voor, volgens de richtlijnen van de DSM-IV:

Diagnostische criteria voor muscle dysmorphia
A. Preoccupatie met het idee dat het eigen lichaam niet voldoende lenig en gespierd is. Bijbehorend karakterestiek gedrag houdt in: vele uren bezig zijn met het heffen van gewichten en een excessieve aandacht voor speciale diëten B. De preoccupatie openbaart zich in minstens twee van de volgende vier criteria:
1. De betrokkene geeft vaak belangrijke sociale-, recreatieve- of werkactiviteiten op vanwege een compulsieve behoefte om de conditie ('workout') en het dieetschema te onderhouden.
2. De betrokkene vermijdt situaties, waar het lichaam of delen van het lichaam ontbloot zijn, in aanwezigheid van anderen; of het individu ondergaat zulke situaties met merkbare spanning of intense angst.
3. De preoccupatie over de inadekwaatheid van de lichaamsomvang of gespierdheid veroorzaakt klinisch significante spanning of een verslechtering in functioneren op sociaal gebied, op het werk of op andere belangrijke gebieden.
4. De betrokkene blijft doorgaan met fitness oefeningen, het volgen van een
dieet en het gebruik van lichaams-vormende en prestatie-verhogende middelen, ondanks de kennis over de schadelijke fysieke en psychologische gevolgen.
C. De primaire focus van de preoccupatie en de gedragingen is gericht op de gedachte té mager of te weinig gespierd te zijn in tegenstelling tot de angst om te dik te zijn zoals bij anorexia nervosa.


Over het ontstaan van muscle dysmorphia kan nog geen pasklaar antwoord gegeven worden. Pope, Phillips & Olivardia opperen een drietal verklaringen:
* Er is zo goed als zeker een genetische component. Er is dan sprake van een erfelijke chemische aanleg om obsessieve-compulsieve symptomen te ontwikkelen
* Daarnaast spelen psychologische componenten een rol. Obsessief en compulsief gedrag wordt als het ware gevoed en versterkt door traumatische ervaringen tijdens het opgroeien. Bijvoorbeeld pestervaringen.
* En tenslotte spelen maatschappelijke factoren een krachtige en in sterke
mate toenemende rol. De invloed van de media is groot. Er is een constante stroom van boodschappen hoe 'echte' mannen er uit horen te zien.
Voorbeelden hiervan zijn:
* Speelgoedpoppen voor jongens zoals Actionman ('Barbie van de jongens'),
Star Wars en Star Trek figuren en Superman of Batman. Deze poppen werden in de afgelopen 30 jaar steeds gespierder qua armen en bovenlijf en dunner in hun middel.
* Steeds meer advertenties gebruiken overmatig gespierde mannen.
* In de afgelopen 50 jaar (1950-2000) zijn foto's van ongeklede mannen in tijdschriften dramatisch toegenomen!

Concluderend zou je kunnen stellen dat gedurende de afgelopen 20 à 30 jaar onze Westerse cultuur in groeiende mate nadruk is gaan leggen op het lichaamsbeeld van mannen. Een lichaamsbeeld wat onrealistisch is en wat in de meeste gevallen zonder middelen als anabole steroïden onbereikbaar is. Denk maar aan bovengenoemde speelgoedpoppen, de supermannen in stripboeken, het gebruik van (blote) overmatig gespierde mannenlijven in advertenties, films met helden als Sylvester Stallone, Arnold Schwarzenegger en Jean-Claude Van Damme en de opkomst van de mannelijke strippers.

De meeste informatie over muscle dysmorphia komt uit Amerika. In de Amerikaanse onderzoeken wordt telkens benadrukt hoe moeilijk het syndroom boven tafel te krijgen is. Pope, Phillips & Olivardia spreken in dit verband van een 'voel en praat taboe': Echte mannen uiten hun gevoelens niet, jammeren niet over hun uiterlijk en praten niet over hun onzekerheden op dat gebied. Op zo'n manier zitten ze gevangen tussen aan de éne kant onmogelijke lichaamsbeeld-idealen en aan de andere kant het taboe op voelen van en praten over angsten en onzekerheid ten aanzien van het eigen lichaam.
In Nederland is er voor zover ik weet nog amper over muscle dysmorphia geschreven, laat staan dat er onderzoek naar gedaan is. Maar ook hier rijzen de sportscholen en fitnessclubs de pan uit. Hoe groot is echter het probleem in Nederland? Hoeveel jongens en mannen zouden hier rondlopen met muscle dysmorphia?
En de daaropvolgende vraag dringt zich vanzelfsprekend op. Is er voor psychomotorische therapie een rol weggelegd in zowel de herkenning als de behandeling van dit syndroom vanwege de cruciale rol die de verstoorde lichaamsbeleving speelt? Bij meisjes en vrouwen met een eetstoornis, is er de laatste jaren duidelijk behoefte ontstaan aan behandelingsmethoden die niet alleen de lichaamsbeleving als focus van behandeling hebben, maar ook gebruik maken van lichaams- en bewegingsgerichte methoden en technieken om deze verstoorde lichaamsbeleving en eventueel onderliggende problematiek te diagnosticeren en te behandelen (Rekkers & Schoemaker, 2002). Ook bij jongens en mannen die lijden aan muscle dysmorphia lijkt het daarom logisch om lichaams- en bewegingsgerichte methoden en technieken in te zetten om de verstoorde lichaamsbeleving te diagnosticeren en te veranderen.
Interessant en prikkelend voor verder exploreren is de vraag waar de overlap én waar de verschillen zitten. Hoe bruikbaar en effectief zijn bijvoorbeeld de beschreven modulen en uitgewerkte arrangementen in het boek 'Gewichtige Lichamen' (Rekkers & Schoemaker, 2002) voor deze hoofdzakelijk mannelijke doelgroep, waar minder sprake is van een eetstoornis, maar wel van een verstoorde lichaamsbeleving?


* * *


Literatuur

* Americain Psychiatric Assciation (2000) Diagnostic and statistical
association. Diagnostic and Statistical manuel of mental disorders (4th edition, text revision). Washington DC: APA
* Beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, bureau-editie. Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Lisse: Swets & zeitlinger B.V.
* Baardman, I. (1989). 'Ingebeelde lelijkheid'. Amsterdam: VU-Uitgeverij
* DeBate, R.D. (2002). Body size dissatisfaction among male and female triathletes. Abstract at International Conference on Eating Disorders, april 25-28. Boston, MA, USA
* Dresselhuys, C. (2000). Mensen zonder neurosen zijn niet leuk, psycholoog Iman Baardman langs de feministische meetlat. Opzij, juli/augustus, 148-153
* Everts, R. (1989). Een behandeling van dysmorfofobie. Tijdschrift voor Directieve therapie, 9, 326-335.
* Furnham, A. & Calnan, A. (1998). Eating disturbance, self-esteem, reasons for exercising and body weight dissatisfaction in adolescent males. European Eating Disorders Review. Vol. 6, issue 1, 58-72
* Haan, E. de (2000), Knijpen en peuteren. Geluk en wijsheid in een cognitieve behandeling van dysmorfofobie. Directieve therapie.jrg. 20, nr. 2, 119-129
* McCabe, M.P. (2001). Body image and body change techniques among young adolescents boys. European Eating Disorders Review. Vol. 9, issue 5, 335-347.
* Phillps, K.A. (1996). The Broken Mirror, understanding and treating Body Dysmorphic Disorder. Oxford University Press, New York.
* Phillips, K.A. (1997).Connection between obsessive-compulsive disorder and body dysmorphic disorder. In: Focus on Obsessive Compulsive Spectrum
Disorders. Boer, J.A. den & Westenberg H.G.M. (Eds). Amsterdam: Syn-Thesis Publishers
* Pope, H.G., Phillips, K.A. & Olivardia, R. (2000). The Adonis Complex, How to Identify, Treat, and prevent Body Obsession in Men and Boys. Touchstone, New York.
* Rekkers, M.E. & Schoemaker, E. (2002). Gewichtige lichamen, lichaamsbeleving en eetstoornissen. ACCO, Leuven
* Wiseman, C.V., Sunday, S.R., Peltzman, B. & Halmi, K. (2002). Body dissatisfaction, drive for thinness, and low self-esteem in middle school boys and girls: surprising similarities between the sexes. Abstract at International Conference on Eating Disorders, april 25-28. Boston, MA, USA

Marlies Rekkers

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie