Gast auteur PMT Info Site

februari 2004




Vaktherapie? Hoera…..!


Piet van der Klis


Eerder verschenen in voor Creatieve Therapie, 2003, 3.

Was Jezus getrouwd? Hebben koeien tegenwoordig wc-papier in de wei? Rare vragen? Wat die laatste betreft, ik probeerde een paar weken geleden mijn oudste kleinzoon, zes jaar, wijs te maken dat die in lichtgroen plastic verpakte ronde balen die je tegenwoordig steeds vaker ziet in het boerenland, rollen wc-papier waren voor het afvegen van koeienbillen. Hij lachte me vierkant uit!
Maar, stel nu dat hij het níét geweten had, en mijn uitleg had geloofd. Hoe lang zou het dan geduurd hebben voor hij zou doorkrijgen dat opa fout zat, hem wat op de mouw had gespeld, een grapje had gemaakt? Zou hij opa’s waarheid laten vallen bij de eerste de beste rol die opengebarsten op het veld lag, met het uitpuilende gras duidelijk zichtbaar? Wanneer zou hij mij definitief ‘afvallig’ zijn?

Ik moest hieraan denken toen ik me eindelijk zette aan het schrijven van deze column. De redactie vroeg me wat ik vind van het ontstaan van het fenomeen vaktherapie en vaktherapeut. Om maar gelijk mijn antwoord te geven: ik zie het als een zeer heilzame ontwikkeling. En dat komt voornamelijk doordat ik mezélf als een ‘afvallige’ beschouw. Ooit had ik een hecht geloof, met een antwoord op alle mogelijke vragen. Maar twijfel sloeg toe en veroorzaakte haarscheurtjes die uitgroeiden tot regelrechte barsten. Ik heb het heel lang proberen vol te houden en soms leek het ook wel weer te lukken. Maar toen ik eenmaal echt slechte boekjes ging lezen, was er geen houden meer aan. Laat staan toen daar ook nog foute vrienden met verkeerde opvattingen bijkwamen. Het heeft lang geduurd, maar ik kan er niet onderuit: uiteindelijk heb ik het afgelegd, mijn geloof prijsgegeven.
Het lijkt me tijd voor een iets uitvoeriger bekentenis.

In 1965 begon ik als bewegingstherapeut (zo heette dat destijds) in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik was opgeleid als leraar lichamelijke opvoeding, aan de CALO, toen in Arnhem, nu onderdeel van Hogeschool Windesheim in Zwolle. Juist op die CALO leerde je heel bijzondere zaken over bewegen en lichamelijkheid. Dat was niet zomaar wat, nee, het werd ons duchtig ingepeperd, het ging om het meest fundamentele, meest basale, zeg maar de essentie van het menselijk bestaan. Bewegingsonderwijs (‘gymnastiek’ mochten wij niet zeggen) was dan ook eigenlijk haast het belangrijkste vak op de school. En geen wonder dat toen ik, in plaats van aan leerlingen, bewegingsonderwijs ging geven aan patiënten, ik volkomen overtuigd was van het ultieme heil dat mijn werk voor deze zorgbehoeftigen betekende. Later, pas veel later, daagde bij mij het inzicht dat ik ergens aan leed. Ik leed aan professionele arrogantie, aan een waanachtige overwaardering van mijn eigen vak. Precieser gezegd, en meer in voor creatief therapeuten vertrouwde taal, ik had een ernstige vorm van mediumziekte. Belangrijkste symptoom: een onredelijke bevoorrechting van een bepaald domein van activiteiten, met als gevolg een exclusievering en verabsolutering van alles wat met bewegen en lichamelijkheid te maken had, toegepast in de hulpverlening aan patiënten.
Hoe kwam ik dan tóch tot andere inzichten! Moeilijk voor je zelf te zeggen. In ieder geval had het er mee te maken dat ik niet graag met de mond vol tanden stond. Noem het voor mijn part faalangst. Hoe dan ook, ik had er altijd de pest aan als ik een kritische opmerking, of gewoon een lastige vraag, niet doeltreffend kon weerleggen. In discussies mengde ik me niet, tenzij ik er vrijwel zeker van was dat ik op z’n minst op punten kon meekomen. Ik had het geluk mensen tegen te komen die ik vertrouwde en die me toch met gevoeligheid wezen op ingewikkelde consequenties van mijn manier van redeneren. Op een manier die mij aan het denken zette. Het pakte zo uit dat ik me meer en meer zorgen ging maken om beslagen ten ijs te komen. Dus ging ik me verdiepen in mijn ‘tegenstanders’. Voeg dat bij de calvinistische traditie om, in ieder geval voor de vorm, de ander uitnemender te achten dan jezelf, en je bent in feite reddeloos verloren. Althans, zo is het mij vergaan: van fanatiek fundamentalist tot (zo zie ik mezelf nu) mild relativist.
Trouwens, ik geloof nog steeds heilig in die basisdoctrine die ik destijds op de CALO meekreeg. Echter, ik neem het nóg serieuzer dan ik toen leerde: bewegen en lichamelijkheid zijn voor het menselijk bestaan zó fundamenteel dat je je daar nauwelijks zorgen om hoeft te maken. Al het menselijk doen en laten is er onontkoombaar mee doordrenkt, bestaat alleen maar bij de gratie daarvan. Je kan er niet eens onderuit, hoe je ook zou willen. En om dan te denken dat als je iets met een balletje doet, of iets met lichaamsrelaxatie, dat dus per definitie een meerwaarde zou hebben ten opzichte van schilderen of naar muziek luisteren, is even idioot als het idee dat het helpt om een zaklamp te gebruiken op een klaarlichte dag.

Het moge duidelijk zijn: ik ben helemaal om. Niks mediumdiscussie. Elk medium dat ik ken binnen de verzameling van vaktherapieën, is mij even lief. Geen rangorde, geen statusverschillen. Vind ik dan alles even goed? Nee dus. Maar in principe berust dat oordeel voor mij niet op de aard van de toegepaste activiteiten, maar op de manier waaróp dat gebeurt en het verhaal eromheen! Ik matig mij wel een oordeel aan over ópvattingen van vaktherapeuten. Anders gezegd: ik ben nogal wantrouwig inzake al die claims die ik tegenkom, expliciet of impliciet, over zogeheten mediumspecifieke eigenschappen. Nog anders gezegd: ik heb geen idee hoe in het algemeen de keus valt te maken tussen inzetten van medium X of juist medium Y. In heel bijzondere gevallen kan ik soms de redenering daarvoor wel volgen, maar door de bank genomen, zeg maar in 99% van de gevallen die tot mij komen, voel ik me buitengewoon ongemakkelijk. Ook als ik de redenering wanhopig probeer te doorgronden.
Ik schreef al dat ik mild ben geworden. Ik blijf twijfelen. Daarom ben ik zo gelukkig met de toenemende aanwezigheid van onderzoekers in ons veld. Niet dat ik daar alle heil van verwacht (het ligt er tenslotte ook maar aan wát ze onderzoeken), maar toch wel een boel. Uitkomsten van onderzoek verlokken je in ieder geval tot nadenken, dwingen je soms zelfs onafwendbaar naar een koersverandering. Maar, op minimaal één voorwaarde, namelijk dat je er wel kennis van neemt.
Professionalisering, waar we de mond zo vol van hebben, houdt voor mij in ieder geval ook in het je verdiepen in andersdenkenden. Mijn indruk is, ik formuleer het voorzichtig, dat op dit punt het een en ander te doen valt binnen het wereldje van de vaktherapie. Wie een ander soort denken en een daarop gebaseerde praktijk alleen maar kan negeren in plaats van navolgbaar pareren, telt voor mij niet mee als professional.

Ik moet naar een afsluiting. Mijn verhaal zal hier en daar wenkbrauwen doen fronsen. Daar ben ik niet bij voorbaat op uit, maar het is, zo heb ik geleerd, inherent aan mijn boodschap. Die boodschap gaat zelfs nog verder. Waarom zouden we vaktherapie niet vervangen door activiteitentherapie als verzamelbegrip voor de diverse smaken in ons werkveld. Natuurlijk weet ik wel dat deze suggestie ogenblikkelijk de nodige braakneigingen teweeg kan brengen, dus vergeet het maar even. Maar principieel bezien, in de zin van redelijk beargumenteerbaar, zie ik op voorhand geen verschil tussen korfballen, muzikaal improviseren, breien, fotograferen, psalmen lezen, mens-erger-je-nieten of danspasjes maken, om maar wat te noemen. Het gaat in alle gevallen om humane activiteiten, die juist dáárom een therapeutische toepassing kunnen krijgen. Natuurlijk mits … (en dan komen zaken als professionele vorming en inkadering aan de orde). Zijn dan alle activiteiten, in alle denkbare contexten met cliënten, in alle gevallen om het even? Nee, dat zeg ik niet. Wat ik wel beweer is dat het weldadig zou kunnen zijn om activiteiten als aanbod voor cliënten niet te ordenen op medium, maar op volstrekt andere kenmerken.
In de ogen van sommigen zal ik mogelijk onbillijk cru zijn in mijn formuleringen, al was het alleen maar door het ‘steekwoordige’ karakter van dit stukje. Maar ja, dat is eigen aan een column, en die vind ik in dit kader toch al aan de lange kant. Daar staat tegenover dat ik bij elke alinea kan verwijzen naar, ook eigen, publicaties die zich uitputten om deze opvattingen te verantwoorden. Zelfs vanuit mijn fanatiek fundamentalistische beroepsperiode zijn nog zeer aandoenlijke teksten beschikbaar. Bovendien, maar dat zou ik eigenlijk niet meer hoeven op te merken, ik ben hypergevoelig voor argumenten. Ik laat me graag overtuigen.
Intussen sta ik pal voor de vaktherapeut! En o ja, wat die vraag over de huwelijkse staat van Jezus betreft, op grond van de mij bekende theologische en bijbelhistorische studies zou ik bij een quizvraag hierover adviseren te gaan voor ‘getrouwd’. Maar ik geef toe, ook daar moet je een beetje afvallig voor durven te zijn.



* * *




Piet van der Klis is vice-voorzitter CONO Kamer Vaktherapeuten.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie