Gast auteur PMT Info Site
Wat beweegt hen?
Over adolescenten en psychomotoriek. Deel 1
Claudia Emck & Charlotte Smit
Met toestemming van de auteurs overgenomen uit: Vandeputte, J., Buitelaar, J., Cohen-Kettenis, P. & Matthys, W. (red) (2000). Uit de kkinderschoenen. 60 jaar Kinder- en jeugdpsychiatrie UMC-Utrecht, pagina 112-126.
Assen: Van Gorcum.
Psychomotoriek als aangrijpingspunt voor behandeling
In de behandeling van kinderen en adolescenten wordt veelal gebruik gemaakt van psychomotorische therapie. In deze vorm van therapie vormen lichamelijkheid en bewegen het aangrijpingspunt voor de behandeling van psychosociale en/of psychiatrische problematiek. In deze bijdrage wordt een schets gegeven van de wijze waarop dit bij jeugdigen plaatsvindt. We staan stil bij centrale begrippen uit de psychomotorische therapie, zoals lichaamsbeeld, houdingsbeeld en bewegingsbeeld, welke geïllustreerd worden met casuïstisch materiaal.
Vanzelfsprekend bewegen?
De bewegende adolescent
Door zich te bewegen kan de mens zich de wereld toe-eigenen. Kinderen exploreren bewegend de wereld en worden spelenderwijs vertrouwd met hun eigen lichaam. Het eerste contact van de mens met de objectieve wereld is een lichamelijk contact (Gordijn e.a. 1975). In de adolescentie verandert de verhouding met het eigen lichaam en krijgt het bewegen een andere betekenis.
Joost loopt over het schoolplein. Het hoofd iets voorover gebogen, ritmisch heen en weer schudddend op de muziek die uit zijn walkman komt en voor passanten slechts als ‘schjeck-schjeck-a-chique-chique-a-schjeck-scheck-a-chique…..’ waarneembaar is. De blik is naar beneden, misschien zelfs naar binnen gericht. Zijn voeten slepen soms over de grond en zijn armen bewegen wat onregelmatig. Een lange jas verhult zijn knokige schouders en het magere bovenlijf.
Zo maar een momentopname van een adolescent. Hoe oud is hij? Vijftien, zestien, zeventien? Ergens in die buurt zal het liggen. Jongens die jonger zijn hebben vaak nog die verende, speelse tred en verkiezen een kort jack boven een lange jas. Na het zeventiende jaar krijgt het lichaam weer meer stabiliteit: de slungeligheid verdwijnt, de spiermassa neemt toe en de kleding voegt zich weer meer vanzelfsprekend.
Marijke zit met haar benen over elkaar geslagen, het hoofd enigszins schuin en met een lichte torsie in haar bovenlichaam. Ze rookt een sigaret en blaast de rook quasi nonchalant zijwaarts van zich af. Ze houdt haar buik voortdurend in. Op een moment dat ze zich onbespied waant, kijkt ze snel of haar naveltruitje nog glad zit. Dan staat ze op en loopt met een opvallend rechte rug naar de bar. Behalve de trots over haar navelpiercing weerspiegelt zich onzekerheid in haar oogopslag.
Zie hier een meisje. Weliswaar twee kalenderjaren jonger dan Joost, maar in dezelfde levensfase. Op haar elfde was ze nog een energieke ‘spring in ’t veld’, ravotte ze met haar broers, droeg ze graag stoere jongensbroeken en keek ze olijk en onbevreesd de wereld in. Nog enkele jaren later zal de rechte rug hopelijk wat minder krampachtig zijn. Haar houding wordt wellicht minder gekunsteld. Hopelijk, want anders dan bij jongens die mannen worden, blijft of wordt het lijf voor vrouwen vaker een last.
Lichaamsbeeld, houdingsbeeld en bewegingsbeeld.
In de adolescentie, met het intreden van de puberteit, treedt er een breuk op in de continuïteit van de kenmerken van het lichaam, de houding en het bewegen. Aan het lijf zien we de gevolgen van de interactie van onze aanleg met onze levensgeschiedenis op dit moment. Het is de onbedoelde resultante van ons leven. Het lichaam van Joost laat ‘magerheid’ zien, hetgeen te herleiden is tot een leptosome aanleg in combinatie met de op deze leeftijd veel voorkomende groeispurt.
De houding zegt iets over de gewoontevorming en de wijze waarop we, al dan niet bewust, ons presenteren in het sociale domein. Marijke is zich bewust van haar beginnende borstgroei en de veranderende vetverdeling op haar heupen en haar buik. Ze durft, nee kán, niet meer gewoon op een stoel gaan zitten, zoals ze deed toen ze nog maar tien jaar oud was. Niet alleen haar lichaam is namelijk veranderd, er is ook een cognitieve rijping opgetreden die maakt dat ze bewust is van het beeld dat ze vormt in de ogen van de ander. De houding is in deze leeftijdsfase vaak een resultaat van het overbewustzijn van zichzelf. Pas wanneer het proces van gewoontevorming en automatisering voldoende tijd heeft gekregen, ontwikkelen zich voorkeurshoudingen die door de buitenwereld als ‘spontaan’ en ‘bij de persoon passend’ ervaren worden. Voorbeelden hiervan zijn: Marie die altijd met haar handen in haar zij staat, Kees die altijd onderuitgezakt zit, en René die altijd veel ruimte aan de vergadertafel nodig heeft omdat hij graag zijn rechter enkel op zijn linker knie heeft liggen.
In het bewegen tonen wij ons in de ruimte die wij delen met anderen. Er is in het bewegen altijd sprake van een al of niet geslaagde afstemming op de omgeving. Bewegen is intentioneel en relationeel (Tamboer 1993). Wij bewegen ‘om te’. Joost loopt over het schoolplein om naar de bibliotheek te gaan, om mee te bewegen met zijn favoriete muziek, om zijn lange jas te showen of om een glimp van zijn geliefde op te vangen. Bij het bewegen in engere zin, zoals in sport en dans, liggen de betekenissen vaak in het bewegen zelf besloten. Ik spring een salto om tussen afzet en landing precies één maal over de kop te kunnen gaan. Ik schiet op het doel om de bal langs de keeper in de rechter bovenhoek te krijgen. Als mensen zich op deze wijze bewegen genieten zij daar vaak van. Gordijn e.a. (1975) beschreven dit als ‘de ondoordachte intentionaliteit’. Men gaat dan geheel op in het bewegen. En ieder doet dat elk een eigen wijze: precies, slordig, fanatiek, ontspannen, speels, rigide, ongecontroleerd, beheerst enzovoorts. Het bewegingsbeeld nodigt uit tot karakterduiding. Maar pas op: het is slechts een momentopname in een specifieke context. Alleen wanneer het bewegen meerdere momenten en in verschillende bewegingssituaties op overeenkomstige wijze te duiden is kan dat verwijzen naar duurzame persoonlijkheidstrekken.
Psychomotorische diagnostiek en behandeling
De hiervoor beschreven kenmerken worden in de psychomotorische therapie ook wel aangeduid met het lichaamsbeeld, houdingsbeeld en bewegingsbeeld. Het gaat daarbij om kenmerken die door de ander, maar in principe ook door de persoon zelf, waarneembaar zijn. De betekenis die er aan wordt toegekend kan echter verschillend zijn en zal de waarneming kleuren. Zo zal een anorectisch meisje zichzelf te dik vinden, terwijl haar omgeving daar anders over denkt. Haar eigen lichaamsbeeld verschilt van haar lichaamsbeeld zoals dat door anderen wordt geduid. Het totaalbeeld dat ontstaat uit de informatie over het lichaamsbeeld, houdingsbeeld en bewegingsbeeld wordt door psychomotorisch therapeuten gebruikt bij de diagnostiek en behandeling van jongeren met psychiatrische stoornissen. Daarbij worden zowel aanleg als ontwikkeling in ogenschouw genomen.
De ontwikkelingsfase heeft bij gezonde jongeren een grote invloed op de beleefde lichamelijkheid en bewegen. Veelal vinden zij daar zelf hun oplossingen voor. Die kunnen variëren van het dragen van verhullende kleding, spijbelen bij schoolgymnastiek, het zetten van piercings en tatoo’s, het dragen van een skinhead of rasta-vlechtjes tot het dagelijks trainen in het fitnesscentrum in combinatie met een health-diet. Voor jongeren met psychiatrische stoornissen zijn het veranderende lichaam en het bewegen vaak een grote last. Dit komt deels omdat psychiatrische stoornissen gepaard gaan met stoornissen in de psychomotoriek. Enkele voorbeelden daarvan zijn coördinatiestoornissen en katatonie bij psychosen, motorische tics, hyperactiviteit en maniërismen bij ontwikkelingsstoornissen, energieverlies bij depressies, spierspanning bij angststoornissen, stoornissen in de lichaamsbeleving bij traumatisering en stoornissen in de lichaamsattitude bij eetstoornissen en sociale fobieën.
Daarnaast hebben jongeren met psychiatrische stoornissen vaak een minder goed ontwikkeld coping-repertoire om de bij de ontwikkelingsfase behorende problemen op het gebied van lichamelijkheid en bewegen het hoofd te bieden. Bij de behandeling van jongere met psychiatrische stoornissen is het vaak noodzakelijk om specifieke hulp te bieden ten aanzien van bewegen en lichaamsbeleving. Deze hulp kan variëren van het aanbieden van aangepaste spelvormen en oefeningen die bekend zijn van schoolgymnastiek tot bewegingsexpressie-oefeningen en lichaamsgerichte werkvormen. Binnen de psychomotorische therapie worden zij op methodische wijze aangeboden en zijn ze gericht op de specifieke problemen die de jongere ervaart. Echter, lijf en leden zijn niet alleen tot last. Vele jongeren – ook jongeren met psychiatrische stoornissen - maken gebruik van de sterke kanten van zichzelf. Voor hen zijn het lichaam en de bewegingsmogelijkheden een baken waar zij op terug kunnen vallen in moeilijke tijden.
Einde deel 1. Deel 2 volgt in april.
