Gast auteur PMT Info Site
Wat beweegt hen?
Over adolescenten en psychomotoriek. Deel 2
Claudia Emck & Charlotte Smit
Verschenen in: Vandeputte, J., Buitelaar, J., Cohen-Kettenis, P. & Matthys, W. (red) (2000). Uit de kkinderschoenen. 60 jaar Kinder- en jeugdpsychiatrie UMC-Utrecht, pagina 112-126.
Assen: Van Gorcum.
DEEL 2. BEWEGEN ALS HOUVAST
Het fysieke imago
De psychomotoriek kan van belang zijn als uitlaatklep voor gevoelens en het versterken van het zelfbeeld. Het heeft een functie in het aanmeten van een eigen identiteit en stijl. Jongeren willen zich onderscheiden door middel van kleding, muziek en bepaalde sporten. Dit geldt ook voor jongeren met een psychiatrische stoornis. Wie kent ze niet: de jongen met de te grote skate-broek, waarvan het kruis tot op de knieën hangt en het meisje met het 'juiste' merk trainingsbroek. Zo zijn er skaters, die niet per ongeluk verward moeten worden met skateboarders, want dat is in de jeugdcultuur een andere wereld en dat moet door iedereen gezien worden. Het individuatieproces gaat gepaard met zich onderscheiden door middel van kledingstijl en sport. De adolescent zoekt een eigen manier om zich te handhaven in de toch al zo moeilijke wereld.
Nico is een jongen met een te grote broek die hij voortdurend in model brengt. Hij is trots op zijn kleding omdat hij hiermee opvalt en aandacht krijgt, met name door de grotere jongens op het basketbalveld. In het dagelijks leven is zijn gedrag passief en komt er weinig terecht van zijn huiswerk, school en buitenschoolse activiteiten. Alleen als hij op het basketbalveld is, voelt hij zich goed en heeft hij het gevoel ergens bij te horen.
Gebruik maken van de sterke kanten: Anorexia Nervosa
Kleding en sport kunnen belangrijke manieren zijn om deel uit te maken van een groep. Wat nu als bewegen nog het enige is waarmee de jongere zich bezig houdt? Wanneer men zich op den duur een eigen identiteit aanmeet die alleen nog gebaseerd is op het uitoefenen van die ene sport? Dan wordt het een vlucht, waarbij de jongere naar zijn gevoel alleen nog iets betekenen kan als hij daarin iets presteert. Het bestaan wordt op deze manier akelig smal. Dit resulteert in het verlies van contact met leeftijdsgenoten en uiteindelijk soms ook in uitstoting door de peergroep. Het bewegen dat in eerste instantie als houvast werd ervaren, blijkt een inadequate coping-strategie geworden. In de jeugdkliniek worden regelmatig jongeren opgenomen die bijvoorbeeld uitblinken in ballet, maar niet weten hoe zij zich op het sociale vlak staande moeten houden. In de therapie kan gebruik gemaakt worden van de sterke kant van de jongere, in dit geval het bewegen, om een ingang te vinden voor het aanleren van meer adequate coping-strategieën.
Maaike is een meisje van 14 jaar met anorexia nervosa. Ze danst vanaf haar vierde jaar en treedt op in een showballet. In eerste instantie onderscheidde Maaike zich op een leuke manier van haar leeftijdsgenoten en kreeg zij veel aandacht en bewondering. Aangezien Maaike goed presteerde ging haar hele vrije tijd op den duur aan het dansen op en werd het contact met vriendinnen minder en minder. Ze maakte steeds moeilijker contact en uiteindelijk raakte ze geheel vervreemd van haar peergroep. Dit proces ging gepaard met een eetstoornis.
In therapie wordt duidelijk dat Maaike nooit geleerd heeft om op een adequate manier contact te maken en te houden. Er was immers altijd aandacht geweest, zonder dat zij er moeite voor had hoeven doen. Het dansen wordt het uitgangspunt voor de psychomotorische therapie, met als werkpunt het opdoen van positieve ervaring in contacten met leeftijdsgenoten. De therapeut biedt dansvormen aan waarbij ‘leiden en volgen’ afwisselend aan de orde zijn. Maaike heeft veel plezier in deze wijze van contact aangaan. Ze krijgt positieve feedback op haar wijze van deelnemen en wordt toenemend een geliefd groepslid.
Werkpunten: ADHD en psychose
In de psychomotorische therapie formuleren wij samen met de jongere werkpunten. Tevens bieden wij specifieke bewegingssituaties om met deze werkpunten te oefenen en nieuwe ervaringen op te doen. De manier waarop het bewegen wordt gebruikt om invloed uit te oefenen op de problematiek kan erg verschillen. Bij een psychose ligt de nadruk vaak op het bespreken en aanleren van beschermende vaardigheden. Bij aandachtstekortstoornissen staat de regulering van hyperactiviteit veelal centraal. Bij depressies gaat het met name om activering en bij beginnende persoonlijkheidstoornissen helpt de therapeut - al of niet met behulp van de nodige confrontaties - te nuanceren. Deze processen kunnen sterk van elkaar verschillen, maar hebben met elkaar gemeen dat de positieve bewegingservaring benut wordt bij het opdoen van nieuwe ervaringen en het oefenen van ander gedrag.
Marit
Marit heeft een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. In de groep wordt snel duidelijk dat ze niet stil kan zitten, veel ongecontroleerde bewegingen maakt en de gespreksmomenten verstoort met haar onrust. De omgeving ervaart Marit als last, omdat zij de interactie ontregelt. Zij vertoont dit gedrag ook op school en raakte voortdurend in allerlei ruzies verzeild. Uiteindelijk is Marit ongewild in een sociaal isolement terechtgekomen. Haar zelfbeeld is erg negatief. De reden voor opname is het feit dat het gezin het allemaal niet meer aan kan.
De psychomotorisch therapeut ziet al snel dat Marit motorisch erg vaardig is. Ze blinkt uit in turnen en spel. Ze traint traint zij drie keer bij een turnclub en ze wil dolgraag meedoen met de Nederlandse kampioenschappen. Marit heeft een perfecte controle over haar lichaam in bewegingssituaties. Marit is goed in sport, maar het probleem is dat ze erg egocentrisch is, waardoor ze in spelsituaties groepsgenoten onder de voet loopt en ruzie krijgt. Tegelijkertijd dwingt ze met haar vaardigheid ook respect af en is ze een voorbeeld voor groepsgenoten.
In het behandelteam wordt besloten te werken aan het versterken van het zelfbeeld, het vergroten van het zelfvertrouwen en het op een adequate manier leren omgaan met leeftijdsgenoten.
Marit oefent vervolgens In de psychomotorische therapie met samenwerken. Ze leert in spelsituaties om meer oog voor de ander te krijgen en minder snel in conflict te komen. Bij het turnen assisteert Marit en ze helpt de anderen uit de groep. Zo raakt zij langzamerhand meer, en op andere wijze, in contact met haar groepsgenoten. Marit heeft af en toe nog conflicten met anderen, maar ze leert meer en meer om zich te beheersen en kan zich daardoor beter staande houden tussen haar leeftijdsgenoten.
Freek
Freek is herstellende van een psychose. Lange tijd heeft hij geleden onder zogenaamde positieve symptomen: achterdocht en het horen van stemmen. Na het starten van de medicatie verbleken deze symptomen, maar komen de negatieve symptomen meer naar voren: Freek maakt weinig tot geen contact meer met anderen. Hij staart voor zich uit met een lege blik in zijn ogen. De mimiek is vlak; er is weinig expressie.
Bij Freek zijn er behalve de negatieve symptomen geen echte bewegingsstoornissen. Hij komt graag naar de psychomotorische therapie, omdat bewegen het enige is dat hij nog goed kan en waar hij plezier aan beleeft. Freek is motorisch zeer vaardig en heeft voor zijn psychotische periode veel gevoetbald. Zijn bewegingsbeeld verandert op slag als hij in actie komt. Hij leeft dan zienderogen op: zijn mimiek wordt levendiger en hij beweegt energiek door de zaal. Ook neemt het contact met anderen toe.
Met Freek wordt besproken dat bewegen een beschermende activiteit voor hem is, waarmee hij invloed kan uitoefenen op zijn symptomen. Freek leert om op stressvolle momenten terug te grijpen naar zijn motorische vaardigheden. Hiermee kan hij actief de stress verminderen. Daarnaast wordt Freek door de therapeut begeleid bij het terugkeren naar zijn oude voetbalclub.
Einde deel 2.
