Gast auteur PMT Info Site

mei 2004




De (toegevoegde) waarde van Creatieve Therapie

Deel 1


dr. Henk Smeijsters (1)


Dit artikel is tot stand gekomen ter gelegenheid van het congres
“40 jaar Creatieve Therapie – de kunst van het hulpverlenen”
7 juni 2002.
Het artikel verscheen eerder in het Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2002,4.


Inleiding
Tijdens het congres ter gelegenheid van het 40-jarige bestaan van de Nederlandse Vereniging voor Creatieve Therapie stond de specifieke waarde van creatieve therapie centraal. In dit artikel - een uitgeschreven versie van mijn presentatie tijdens het congres - zal ik de vraag naar de specifieke waarde van de creatieve therapie vanuit wetenschappelijk oogpunt benaderen (2). Met wetenschappelijk bedoel ik niet laboratoriumexperimenten, maar praktijkgerichte onderzoeken met een hoge mate van klinische relevantie, onderzoeken waar de daadwerkelijke therapeutische processen, handelingen en ervaringen van de cliënten en therapeuten en de therapeutische effecten centraal staan.

In de huidige onderzoekswereld is een belangrijke stroming aanwezig die kennis als ‘evidence based’ beschouwt, wanneer zij het product is van zogenaamde ‘randomized clinical trials’ (RCT) en ‘case-control studies’ (CCS) en als op basis van deze studies kwantitatieve meta-analyses zijn uitgevoerd waarbij een zogenaamde ‘effect-size’ (ES) wordt berekend. Dergelijke RCT, CCS en meta-analyses zijn in de creatieve therapie slechts mondjesmaat aanwezig. Zelfs als je kiest voor een mondiale zoektocht, zal de opbrengst aan wetenschappelijke studies gering zijn (3).
Omdat het aantal beschikbare kwantitatieve studies beperkt is, heb ik ervoor gekozen ook kwalitatieve studies in mijn zoektocht te betrekken. Dit is overigens niet alleen een ‘negatieve keuze’ omdat het aantal kwantitatieve studies beperkt is. Alhoewel ik RCT, CCS en meta-analyses zeer belangrijk vind, gaan zij voorbij aan de impliciete body of knowledge. Met dit laatste bedoel ik de individuele ‘tacit knowledge’ van beroepsbeoefenaren en de collectieve ‘consensus based knowledge’ (4). In dit verband pas ik tevens principes van de lerende organisatie toe op de ontwikkeling van de body of knowledge van het beroep van vaktherapeut (Hutschemaekers, 2001; Smeijsters, 2002b).

Als kapstok van het artikel gebruik ik de constatering dat creatief therapeuten in toenemende mate diagnostisch, op indicatie, doelgericht, methodisch, consensusbaseden/of evidence based denken en handelen.

Diagnostisch
Diagnostisch impliceert dat creatief therapeuten in toenemende mate gebruik maken van daartoe ontwikkelde observatie-instrumenten. Ik geef enkele voorbeelden van deze instrumenten en uitkomsten op basis van de afname (zie kaders).


DRAMATHERAPIE
De Diagnostic Role-Playing Test (Johnson, 1988) differentieert tussen paranoïde en niet-paranoïde schizofrene cliënten wat betreft gedrag, de vaardigheid om rollen te spelen en de wijze van mentaal representeren


MUZIEKTHERAPIE
De Music Improvisation Rating (Pavlicevic & Trevarthen, 1989) wijst uit dat er een verschil is in de muzikale interactie wat betreft wederkerigheid en de mate van initiatief tussen schizofrene cliënten, depressieve cliënte en een controlegroep van niet-cliënten

BEELDENDE THERAPIE
Op basis van de Diagnostic Drawing Series (Cohen & Mills, 2000) is het mogelijk aan de hand van structurele kenmerken van tekeningen bepaalde ziektebeelden van elkaar te onderscheiden.
Aan de hand van de 88 grafische elementen van de RS-Index (Marijke Rutten-Saris, 2002) en de hieraan gerelateerde motorische beschrijving en de interactiestructuur, is het mogelijk afwijkende ontwikkelingen te scoren.


DANS & BEWEGINGSTHERAPIE
De scores van de op Laban en Bartenieff gebaseerde Movement Psychodiagnostic Inventory (Davis, 1991) laten overeenkomsten zien tussen de bewegingskwaliteiten en psychische stoornissen.

Op indicatie
In mijn opvatting betekent ‘op indicatie werken’ niet alleen dat je de doelgroep aangeeft waarmee je werkt, maar dat je tevens beargumenteert welke doelstellingen en werkwijzen, producten en modulen geïndiceerd zijn en waarom. De indicatievraag bestrijkt vanuit mijn optiek de volgende zaken: doelstellingen, werkwijzen, producten en modulen afstemmen op het probleem, c.q. de hulpvraag van de cliënt en dit handelen onderbouwen door de eigen ‘tacit knowledge’ te expliciteren, gebruik te maken van ‘consensus based’ en/of ‘evidence based’ data. Het gaat om een valide argumentatie op basis van een valide theorie die uitlegt waarom deze aanpak in dit medium geschikt is voor de problematiek en hulpvraag van de cliënt.
Ik werk de onderbouwing op basis de eigen ‘tacit knowledge’, de ‘concensus based’ en/of ‘evidence based’ benadering verderop uit.

Doelgericht
Doelgericht impliceert dat creatief therapeuten in toenemende mate doelstellingen van elkaar onderscheiden en afstemmen op de hulpverleningssituatie. Het is belangrijk dat duidelijk wordt dat doelstellingen van elkaar verschillen en dat hun indicatie samenhangt met de problematiek en de hulpvraag van de cliënt. Met andere woorden: niet elke doelstelling is geschikt voor elk probleem. In de afgelopen jaren zijn de indeling die ik in het Handboek Creatieve Therapie (2000) geïntroduceerd heb en de indeling die in Vakwerk (2000) gebruikt werd gangbaar geworden. Het verschil bestaat hierin dat ik de indeling heb gebaseerd op (internationaal) onderzoek dat werd uitgevoerd onder creatief therapeuten die werken met doelgroepen zowel binnen als buiten de psychotherapeutische context, terwijl de indeling die het Trimbos-instituut hanteert afkomstig is uit de psychotherapie (zie De Jonghe e.a., 1987/1988). De twee indelingen overlappen elkaar ten dele en vullen elkaar goed aan.

De samenhang tussen feitelijke werkwijzen en de hulpverleningssituatie

De term ‘werkwijze’ heeft de laatste jaren een ontwikkeling doorgemaakt. Aanvankelijk werd hij door mij gebruikt om aan te geven dat er categorieën van doelstellingen zijn. Nadat de therapeut doelstellingen heeft vastgesteld vraagt hij zich af met welke methoden, werkvormen en technieken hij de geïndiceerde doelstellingen kan bereiken. Doelstellingen hebben immers methoden, werkvormen en technieken nodig opdat zij gerealiseerd kunnen worden en zoals ik in eerdere publicaties met de term ‘klinisch redeneerproces’ heb aangegeven, moeten de methoden, werkvormen en technieken met de doelstellingen samenhangen. Het ligt dus voor de hand de term ‘werkwijze’ te verbreden tot: een categorie van doelstellingen met daarmee samenhangende methodische uitgangspunten, werkvormen en technieken.

Het bepalen van doelstellingen, methoden, werkvormen en technieken kan gebeuren met behulp van een ‘evidence based’ of een ‘consensus based’ benadering. In het eerste geval onderwerp je de doelstellingen, methoden, werkvormen en technieken aan gecontroleerd empirisch onderzoek, dit wil zeggen je toetst of een bepaalde werkwijze bij de cliënten tot het beoogde effect leidt. In het tweede geval ga je te rade bij ervaren therapeuten en vraag je aan hen wat zij, bij wie, hoe en waarom doen.

Het onderzoek van Drieschner en Pioch (2000) onder muziektherapeuten is een voorbeeld van het tweede type onderzoek. Uit hun onderzoek blijkt onder meer dat de werkwijzen van muziektherapeuten bepaald worden door de plaats die zij innemen in een driedimensionale ruimte. De drie dimensies die deze ruimte bepalen zijn: receptief of actief werken, de mate van structurering en de gerichtheid op de muziek of op het probleem. De posities op de dimensies blijken samenhang te vertonen met de problematiek waarmee de muziektherapeut werkt (zie hieronder naar: Drieschner en Pioch 2000).


RECEPTIEF-ACTIEF
Bij angst/stemmingsstoornissen wordt verhoudingsgewijs meer receptieve muziektherapie toegepast dan bij psychotici en persoonlijkheidsgestoorde cliënten
Bij persoonlijkheidsgestoorde cliënten en cliënten uit de kinderpsychiatrie is receptieve muziektherapie zeldzaam

MATE VAN STRUCTURERING
Bij psychotische en psychogeriatrische cliënten, verstandelijk gehandicapten en cliënten uit de kinderpsychiatrie wordt gewerkt met een hoge mate van structurering

MUZIEKGERICHT-PROBLEEMGERICHT
Bij psychotische en psychogeriatrische cliënten wordt de aandacht verhoudingsgewijs
meer op de muziek gericht

Een ‘werkwijze’ wordt in dit geval bepaald door een dwarsdoorsnede van deze drie dimensies, bijvoorbeeld bij psychotici: actief – gestructureerd – muziekgericht.

Bekijken we nu - aan de hand van het voorbeeld muziektherapie - het hele klinische redeneerproces dan ontstaat het volgende beeld:

Problematiek

Doelstellingen
• ortho(ped)agogisch
• supportief
• palliatief
• re-educatief
• reconstructief

Methodische dimensies
• receptief-actief
• mate van structurering
• muziekgericht-probleemgericht

Werkvormen/ activiteiten

Therapeutische houding en technieken

Materialen



Tegen de achtergrond van dit plaatje kan men stellen dat een werkwijze vorm krijgt door een combinatie keuzes. Bijvoorbeeld: in het werken met autistische kinderen is de volgende werkwijze geïndiceerd:

• orthoagogische doelstellingen
• actieve, gestructureerde, muziekgerichte methodische dimensies
• interactieve werkvormen
• directieve therapeutische technieken

Verder onderzoek is nodig om de indelingen binnen de hokjes en de verbindingen tussen de hokjes nader vast te leggen. Op sommige punten zullen de indelingen voor de verschillende media samenvallen, op andere punten zullen zij van elkaar verschillen.

Een tweede ontwikkeling met betrekking tot ‘werkwijzen’ is een gevolg van het productonderzoek van het Trimbos-instituut, de moduulschrijfgroepen van de NVCT en de landelijke werkgroep die zich bezig heeft gehouden met het opstellen van het Landelijk Opleidingsprofiel. Deze ontwikkeling houdt in dat steeds beter onderscheiden wordt tussen een algemene theorie, een beroepsprofiel, de mediumprofielen, werkwijzen, producten, modulen, werkvormen en therapeutische technieken.
De beperkte ruimte in dit artikel laat een verdere uitwerking en afbakening van deze begrippen niet toe (zie hiervoor de uitgebreide versie van het artikel).

Methodisch
In de creatieve therapie is veel ‘tacit knowledge’ aanwezig. Tacit knowledge is door Polanyi (1967) gedefinieerd als de kennis waarvan we ons niet bewust zijn, datgene wat we weten maar waarover we (nog) niet kunnen praten. Het is impliciete kennis. Met het oog op de creatief therapeut definieer ik deze kennis als de intuïtieve handelingskennis die creatief therapeuten bezitten op basis van hun langdurige ervaring in het werken met cliënten. Zij ‘weten’ hoe je het beste cliënten kunt behandelen. Tacit knowledge is dus kennis die ‘in’ de creatief therapeut aanwezig is en hem in staat stelt therapeutisch te handelen. De kennis is (nog) niet expliciet, in woorden geformuleerd en op schrift gesteld.
Er zijn vele psychische stoornissen en handicaps waarover op basis van ervaringen in de klinische praktijk tacit knowledge aanwezig is. Over de behandeling van deze psychische stoornissen en handicaps is al veel op papier gesteld, maar ook zonder dat deze zaken op papier gesteld zijn, is deze tacit knowledge aanwezig. De tacit knowledge is in feite het alfa en omega van iedere beroepsbeoefenaar en dus ook creatief therapeut.
Met betrekking tot tacit knowledge kunnen er twee dingen gebeuren. Je kunt ze overschatten en onderschatten. Praktijkmensen pur sang, de mensen die met name een toepassingsgerichte leerstijl hebben, overschatten hun tacit knowledge als ze verzuimen over wat zij doen te reflecteren, hun handelen te toetsen aan kennisbronnen en op basis hiervan hun handelen bij te stellen. Daar tegenover staan de evidence based wetenschappers, die alleen voor waar houden wat op basis van empirisch onderzoek bewezen is. Zij onderschatten de tacit knowledge.
Tussen beide uitersten zijn vloeiende overgangen mogelijk en noodzakelijk.

De groei van de body of knowledge kan alleen plaatsvinden als de tacit knowledge van de individuele creatief therapeuten geëxpliciteerd wordt. Voortbouwend hierop is het noodzakelijk dat er naast dit individuele proces een groepsproces ontstaat waarin panels van praktijkexperts zich gezamenlijk buigen over de individuele tacit knowledge en ‘concensus based best practices’ ontwikkelen (zie Van Hattum en Hutschemaekers, 2000; Hutschemaekers, 2001 en de moduulschrijfgroepen van de NVCT).

De individuele beroepsbeoefenaren en teams van beroepsbeoefenaren (vakgroepen), daartoe gestimuleerd door de beroepsvereniging, kunnen door het praktische handelen te expliciteren afstand nemen van dit handelen, reflecteren over dit handelen, het handelen analyseren en toetsen aan theorieën binnen het eigen vakgebied en andere vakgebieden en de resultaten van empirisch onderzoek. Wat geëxpliciteerd werd kan vervolgens weer onderwerp zijn van evidence based onderzoek. Aldus ontstaat een ‘lerend beroep’ waar op verschillende niveaus de leercyclus van uitvoeren, reflecteren over de uitvoering, conceptualiseren, ontwikkelen en toetsen van nieuwe handelingsmogelijkheden doorlopen wordt (Kolb, 1984).
‘Reflective practitioners’ (Argyris & Schön, 1978) zijn beroepsbeoefenaren die als vanzelfsprekend en continu de zojuist beschreven leercyclus doorlopen en op basis daarvan hun handelen bijstellen en verbeteren. Er is in zo’n geval sprake van ‘second loop’ leren. Argyris en Schön definiëren dit leren als leren dat in staat stelt doelen en werkwijzen ter discussie te stellen en te vernieuwen. In tegenstelling tot ‘single loop’ leren, waarbij het doel is: ‘let’s make things better’ (fouten corrigeren) - wat natuurlijk ook belangrijk is - ‘heeft ‘second loop’ leren als doel: ‘let’s make better things’ (nieuwe doelen en maatregelen ontwerpen). Second loop leren stelt je in staat nieuwe en andere dingen te bedenken.
Voor de creatief therapeut houdt dit in, het vermogen zijn doelen en werkwijzen ter discussie te stellen. Daarmee bedoel ik niet dat alles wat niet wetenschappelijk bewezen is geen bestaansrecht heeft. De enge definitie van ‘evidence based’ kennis gaat voorbij aan de grote schat aan tacit knowledge van ervaren therapeuten. Wat er wel moet gebeuren is dat de individuele creatief therapeut, teams van creatief therapeuten en de professie als geheel, hun doelen en werkwijzen toetsen aan de eigen praktijk en de resultaten van onderzoek.

Einde deel 1.
Deel 2 verschijnt in juni.


* * *


Noten en referenties

1. Bij het voorbereiden van de lezing ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de NVCT heb ik - gespreid over het land - vertegenwoordigers van verschillende media gevraagd ‘consensus based’ en ‘evidence based’ bronnen te noemen die vanuit hun oogpunt van cruciaal belang zijn. Ik bedank drs. Gé Cimmermans, Nanon Janssen, Celine Schweizer en drs. Annemiek Vink voor hun adviezen.

2. Een uitgebreide versie van dit artikel kan besteld worden bij de Hogeschool Zuyd, tel. 046-4207262, op ma-do-vr van 9.00-12.00 uur.

3. Al is het opmerkelijk dat je op bepaalde gebieden relatief veel RCT en CCT tegenkomt (b.v. muziektherapie bij Alzheimer problematiek).

4. Consensus based knowledge kan verkregen worden met behulp van kwalitatieve methodes (b.v. het Delphi-onderzoek) of kwantitatieve methodes (b.v. een vragenlijstonderzoek). In beide gevallen gaat het om onderzoek waarbij ervaringskennis van therapeuten (“Zo doen we dat”) wordt gesystematiseerd. Daar waar ervaringsexperts elkaar bevragen (zoals bij het Delphi-onderzoek) is de verkregen body of knowledge sterker.

Argyris, C. & Schön, D.A. (1978). Organizational learning, a theory of action perspective.
Massachusetts: Addison-Wesley.
Barker, S.L., Funk, S.C. & Houston, B.K. (1988). Psychological treatment versus nonspecific
factors: A meta-analysis of conditions that engender comparable expectations for
improvement. Clinical Psychology Review, 8, 579-594.
Bie, D. de & Kleijn, J. de (2001). Wat gaan we doen ? Het construeren en beoordelen van opdrachten.
Praktijkboek bij Onderwijs als Opdracht. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum
Cleven, G. (2001a). Met schrijven zichtbaar in beeld. Over het belang van het ontwikkelen en
schrijven van modulen en producten. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 20 (4), 29-
31.
Cleven, G. (2001b). Van kunst naar kunde. Op weg naar een module schrijven. Tijdschrift voor
Creatieve Therapie, (20 (2), 9-11.
Cohen, J. (1977). Statistical power analysis for the behavioral sciences. San Diego: Academic Press.
Cohen, B.M. & Millls, A. (2000). Report on the Diagnostic Drawing Series (DDS Project,
P.O. Box 9853, Alexandria VA 22304).
Cogan, K.B. & Paulson, B.L. (1998). Picking up the pieces: Brief report on
inmates’ experiences of a family violence drama project. The Arts in Psychotherapy,
Vol. 25 (1), 37-43.
Cruz, R.F. & Sabers, D.L. (1998). Dance/movement therapy is more effective than
previously reported. The Arts in Psychotherapy, Vol. 25 (2), 101-104.
Davis, M. (1991). Guide to movement analysis methods. Unpublished. Zie: Stanton-Jones
(1992). Dance movement therapy. London: Tavistock/Routledge.
Dibbell-Hope, S. (2000). The use of dance/movement therapy in psychological adaptation to
breast cancer. The Arts in Psychotherapy, 27 (1), 51-68.
Drieschner, K. (1997). Vermindering van boosheid door muziektherapie: een gecontroleerd
effectonderzoek met forensisch psychiatrische patiënten. Amsterdam: Universiteit van
Amsterdam.
Drieschner, K. (2002). Het ontwikkelen van creatief therapeutische producten. Tijdschrift
Creatieve Therapie, 21 (1), 12-15.
Drieschner, K. & Pioch, A. (2000). Muziektherapie op maat. Methodische keuzes van
ervaren muziektherapeuten. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 19 (3), 9-17.
Dubowski, J. (2001). Developing a research strategy for the arts therapies. In: L.
Kossolapow, S. Scoble & D. Waller (eds). Arts - Therapies – Communication. On the
way to a communicative European Arts Therapy. Münster: Lit Verlag.
Fenner, P. (1996). Heuristic research study: Self-therapy using the brief image-making
experience. The Arts in Psychotherapy. Vol. 23 (1), 37-51.
Gold, C. Voracek, M. & Wigram T. (2002). Effects of music therapy with mentally ill
children and adolescents: A meta-analysis. Aalborg: University of Aalborg.
Grainger, R. (1987). Evaluation in dramatherapy. In: D. Milne (ed). Evaluating mental health practice.
London: Croom Helm.
Greenberg, R.P., Bornstein, R.F., Zborowski, M.J., Fischer, S. & Greenberg, M.D. (1994). A
meta-analysis of fluoxetine outcome studies in the treatment of depression. The
Journal of Nervous and Mental Disease, 182, 547-551.
Hacking, S. & Foreman, D. (2001). Psychopathology in paintings: A meta-analysis of studies using
paintings by psychiatric patients. British Journal of Medical Psychology, 74, 35-45.
Hattum, M. van & Hutschemaekers, G. (2000). Vakwerk. Producttyperingen van vaktherapeuten voor
het programma stemmingsstoornissen. Utrecht: Trimbos-instituut.
Heaney, C.J. (1992). Evaluation of music therapy and other treatment modalities by
adult psychiatric patients. Journal of Music Therapy, XXIX (2), 70-86.
Hedges, L.V. & Olkin, I. (1985). Statistical methods for meta-analysis. Orlando: Academic Press.
Hutschemaekers, G. (2001). Onder professionals. Hulpverleners en cliënten in de geestelijke
gezondheidszorg. Nijmegen: SUN.
Hutschemaekers, G. & Neijmeijer, L. (1998). Beroepen in beweging. Professionalisering en
grenzen van een multidisciplinaire GGZ. Utrecht/Houten: Trimbos-instituut/Bohn
Stafleu Van Loghum.
Johnson, D.R. (1988). The diagnostic role-playing test. The Arts in Psychotherapy, 15 (1),
23-36.
Jonghe, F. de, Janssen, R., Rijnierse, P. (1987). Uitzicht op inzicht. I. Tijdschrift voor Psychotherapie,
13, 180-199.
Jonghe, F. de, Janssen, R., Rijnierse, P. (1988a). Uitzicht op inzicht. II. Tijdschrift voor
Psychotherapie, 14, 2-15.
Jonghe, F. de, Janssen, R., Rijnierse, P. (1988b). Uitzicht op inzicht.II I. Tijdschrift voor
Psychotherapie, 14, 91-99.
Kolb, D.A. (1984). Experiental learning. Experience as the source of learning and development.
Englewood Cliffs: Prentice-Hall.
Lambert, M.J. & Bergin, A.E. (1994). The effectiveness of psychotherapy. In: A.E. Bergin & S.L.
Garfield (eds). Handbook of psychotherapy and behaviour change. New York: Wiley.
Landelijk Opleidingsprofiel Creatieve Therapie (1999). Hogeschool van Arnhem & Nijmegen,
Hogeschool Limburg, Hogeschool van Utrecht, Christelijke Hogeschool Noord-Nederland.
Luborsky, L., Singer, B. & Luborsky, L. (1975). Comparative studies of psychotherapies. Archives of
General Psychiatry, 32, 995-1008.
Mannheim, E., Liesenfeld, M. & Weis, J. (2000). Tanztherapie in der onkologischen
Rehabilitation: Konzepte und empirische Ergebnisse zu Auswirkungen auf die
Lebensqualität. Musik-, Tanz- und Kunsttherapie, 11 (2), 80-86.
Pavlicevic, M. & Trevarthen, C. (1989). A musical assessment of psychiatric states in adults.
Psychopathology, 22, 325-334.
Pavlicevic, M., Trevarthen, C. & Duncan, J. (1994). Improvisational music therapy and the
rehabilitation of persons suffering from chronic schizophrenia. Journal of Music
Therapy, XXXI (2), 86-104.
Pioch, A. & Drieschner, K. (2001). Een pragmatische benadering ter ontwikkeling van
modules. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 20 (4), 7-10.
Polanyi, M. (1967). The tacit dimension. London: Routledge Kegan Paul.
Rauh, W. (2001). Schrijven in een module-ontwikkelingsgroep. Tijdschrift voor Creatieve
Therapie, 20 (4), 29-31.
Ritter, M. & Low, K.G. (1996). Effects of dance/movement therapy: A meta-analysis. The Arts in
Psychotherapy, Vol. 23 (3), 249-260.
Rosenthal, R. (1984). Meta-analytic procedures for social research. Beverly Hills: Sage.
Rutten-Saris, M. J. (2002). The RS-Index: A diagnostic instrument for the assessment of interaction structures in drawings. PhD Dissertation. Hertfordshire: University of Hertfordshire.
Saunders, E.J. & Saunders, J.A. (2000). Evaluating the effectiveness of art therapy through a
quantitative, outcomes-focused study. The Arts in Psychotherapy, 27 (2), 99-106.
Schweizer, C. (red.) (2001). In beeld. Doelgroepgerichte behandelmethoden van beeldend
therapeuten. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Seligman, M.E.P. (1995). The effectiveness of psychotherapy. The consumer reports study. American
Psychologist, Vol. 50 (12), 965-974.
Smith, M.L., Glass, G.V. & Miller, T.I. (1980). The benefits of psychotherapy. Baltimore:
John Hopkins University Press.
Smeijsters, H. (1987). Muziek en psyche. Thema’s met variaties uit de muziekpsychologie.
Assen/Maastricht: Van Gorcum.
Smeijsters, H. (1991). Muziektherapie als psychotherapie. Assen/Maastricht: Van Gorcum.
Smeijsters, H. (1995). Handboek muziektherapie. Theoretische grondslagen voor de behandeling van
specifieke stoornissen en handicaps. Heerlen: Melos.
Smeijsters, H. (1997a). Die therapeutische Wirkung der Musik. – Ergebnisse der Forschung. In: L.
Müller & H.G. Petzold (Hrsg). Musiktherapie in der klinischen Arbeit. Integrative Modelle und
Methoden. Stuttgart: Gustav Fischer Verlag.
Smeijsters, H. (1997b). Multiple perspectives. A guide to qualitative research in music therapy.
Gilsum: Barcelona Publishers.
Smeijsters, H. (1997c). Musiktherapie bei Alzheimer-Patienten. Eine Meta-Analyse der Effekt
Forschung. Musiktherapeutische Umschau. 18 (4), 268-283.
Smeijsters, H. (2000). Handboek creatieve therapie. Bussum: Coutinho.
Smeijsters, H. (2001a). Die musiktherapeutische Behandlung der Autoaggression bei geistig
Behinderten mit Autismus. Musiktherapeutische Umschau, 22 (3), 204-223.
Smeijsters, H. (2001b). Een masterplan richting wetenschap. Tijdschrift voor
Creatieve Therapie, 20 (3), 4-11.
Smeijsters, H. (2002a). Kenniscentrum vaktherapieën. Onderzoek naar de haalbaarheid van een
landelijk kenniscentrum voor vaktherapieën. In opdracht van het Landelijk Platform Creatieve
Therapie. Sittard: Hogeschool Zuyd.
Smeijsters, H. (2002b). Knowledge creation by means of knowledge sharing. Heerlen: Kenniskring
Kennisorganisaties & kennismanagement Hogeschool Zuyd.
Smeijsters, H. (2002c). Marktonderzoek naar de behoefte aan nascholing, coaching en
praktijkonderzoek bij vaktherapeuten. Sittard: Hogeschool Zuyd.
Smeijsters, H. & Van den Hurk, J. (1999). Music therapy helping to work through grief and
finding a personal identity. Qualitative single case research. Journal of Music Therapy,
Vol. XXXVI (3), 222-252.
Visser, K. & Hummelen, K. (1988). Verschillen in de kreatieve therapie tussen borderline en
neurotische patiënten. Tijdschrift voor Kreatieve Therapie, 7 (1), 11-13.
Wampold, B.E. (1997). Methodological problems in identifying efficacious psychotherapies.
Psychotherapy Research, 7 (1), 21-43.


DE AUTEUR
Dr. Henk Smeijsters is lector van de Kenniskring Kennisontwikkeling Vaktherapieën van de Hogeschool Zuyd, de Hogeschool van Utrecht en de Saxion Hogeschool Enschede.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie