Gast auteur PMT Info Site

juli 2004




De (toegevoegde) waarde van Creatieve Therapie

Deel 3 (slot)


Dr. Henk Smeijsters


Dit artikel is tot stand gekomen ter gelegenheid van het congres
“40 jaar Creatieve Therapie – de kunst van het hulpverlenen”
7 juni 2002.
Het artikel verscheen eerder in het Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2002,4.

De toegevoegde waarde van creatieve therapie
Onderzoek dat expliciet de toegevoegde waarde als vraagstelling kiest is nauwelijks beschikbaar.
Ik zal op deze plek de vraag oppakken en daarbij gebruik maken van verschillende invalshoeken: vergelijkend onderzoek, kwantitatieve en kwalitatieve meta-analyses en een theoretische verklaring.

Vergelijkend onderzoek
Van vergelijkend onderzoek is sprake als creatieve therapie vergeleken wordt met andere vormen van therapie. Er is weinig onderzoek op dit gebied. Het onderzoek van Heaney (1992), dat het karakter heeft van een ‘consumer report’, vormt daarop een uitzondering (zie mijn eerdere opmerking naar aanleiding van Seligman). Heaney’s onderzoek leverde de volgende resultaten op:

• Cliënten met stemmingsstoornissen en psychosen kennen op de schalen goed/slecht en prettig/onprettig aan creatieve therapie de eerste plaats in positieve zin toe.
• Op de schaal succesvol/niet succesvol behaalt creatieve therapie de tweede plaats achter medicatie.
• Op de schaal belangrijk/onbelangrijk komt creatieve therapie op de vierde plaats na medicatie, interactie met de verpleging en individuele psychotherapie, maar voor groepspsychotherapie, interactie met andere cliënten, in een nieuwe omgeving zijn en ontmoetingen hebben op de afdeling.

De score prettig/onprettig spreekt voor zich. Interessant zijn de verschillen tussen goed/slecht, succesvol/niet succesvol en belangrijk/onbelangrijk. Deze verschillen hebben te maken met begripsvaliditeit. Wat bedoelt de cliënt precies als hij ‘goed’ antwoordt? Je zou met name wensen dat creatieve therapie bij goed/slecht en succesvol/niet succesvol hetzelfde scoort. Maar blijkbaar is goed/slecht niet hetzelfde als succesvol/niet succesvol. En bij belangrijk/onbelangrijk blijkt weer iets anders te spelen.
Dat, naar de indruk van cliënten, creatieve therapie bij succesvol/niet succesvol de tweede plaats achter medicatie inneemt is natuurlijk niet mis. De term succes verwijst duidelijk naar het wel of niet bereiken van de gestelde doelen en op dit laatste worden (creatief) therapeuten (terecht) ‘afgerekend’. Ook al kan er, zoals ook Seligman(1995) in overweging neemt, sprake zijn van een verschil tussen het subjectieve inschattingsvermogen van cliënten en de objectieve werkelijkheid, het feit dat cliënten een therapie als succesvol ervaren is een belangrijk effect, zeker in het licht van het constructivisme en narrativisme waarbij therapeut en cliënt samen bepalen wat het probleem is en wanneer het probleem is opgelost (1). Ik poneer de stelling dat als cliënten overtuigd zijn van de werking van creatieve therapie daarmee voldaan wordt aan een belangrijke non-specifieke factor die therapie succesvol maakt. Zoals Seligman en Wampold (1997) opmerken, is in de psychotherapie het onderzoek naar specifieke werkzame factoren heilloos gebleken en is het veel belangrijker vast te stellen of een therapie effect heeft (2). Dit is belangrijker dan door middel van kunstmatig experimenteel onderzoek specifieke factoren proberen te isoleren die het effect mogelijk zouden kunnen verklaren
Het feit dat alle vormen van psychotherapie even goed blijken te zijn en dat daarbij altijd sprake is van een natuurlijke mix van specifieke en non-specifieke factoren, betekent voor de creatieve therapie dat zij niet hoeft te bewijzen dat ze beter is dan andere therapieën en dat zij zich evenmin uit het veld moet laten slaan wanneer onduidelijk is welke specifieke factoren voor het effect verantwoordelijk zijn. Toch zal ik in het volgende stuk laten zien dat creatieve therapie op bepaalde punten niet alleen goed, maar beter lijkt te scoren dan andere vormen van therapie.

Kwantitatieve meta-analyses (Effect Size)
De Effect Size (d) is een statistische maat waarbij het verschil tussen de gemiddelde scores van de experimentele en controlegroep gedeeld wordt door de gepoolde standaarddeviatie (Cohen, 1977, Rosenthal 1984). Voor elk experimenteel onderzoek wordt de d berekend. Van alle d’s wordt vervolgens het gemiddelde berekend. Voor dit gemiddelde geldt dat de waarde d = .20 een klein verschil aangeeft, d = .50 een matig verschil en d = .80 een groot verschil. Met andere woorden: hoe groter de d, hoe sterker het effect van een therapie ten opzichte van een controlegroep is (3).
Behalve Cohens d zijn andere maten ontwikkeld zoals Hedges’ g en Rosenthals r (4). Enkele voorbeelden van gemiddelde effect sizes uit de creatieve therapie zijn:

muziektherapie bij gedragsproblemen, emotionele problemen en leerproblemen van kinderen en adolescenten heeft een Hedges’ g = .56 (Gold, Voracek, Wigram, 2002)
danstherapie bij angststoornissen heeft een Rosenthals r = .54 (Cruz & Sabers 1998; gecorrigeerd voor between-groups, zie voetnoot)
danstherapie bij psychiatrische patiënten levert een r = .37 op (Cruz & Sabers 1998; gecorrigeerd voor between-groups, zie voetnoot)
beeldende producten van psychiatrische cliënten onderscheiden zich significant van de beeldende producten van niet-cliënten, d = .36. Beeldende producten van cliënten met verschillende diagnoses verschillen van elkaar, d = .32 (Hacking & Foreman, 2001)
• de berekening van de gemiddelde effect size voor muziektherapie bij dementie is in de maak (Vink, Bruinsma, Scholten)

Al hoewel niet sprake is van vergelijkend onderzoek in strikte zin is het mogelijk gemiddelde effect sizes van creatieve therapie te vergelijken met gemiddelde effect sizes van andere vormen van therapie. Ter vergelijking:
• bij verbale psychotherapie werd de volgende (gecorrigeerde) effect size gevonden: r = .39 (Smith, Glass & Miller, 1980)
• bij cognitieve-gedragstherapie: r = .32 (Barker, Funk & Houston, 1988)
• bij medicatie bij depressie: r = .20 (Greenberg, Bornstein, Zborowski, Fischer & Greenberg, 1994)

Het valt op dat creatieve therapie verhoudingsgewijs niet slecht scoort. Dit zou zelfs kunnen betekenen dat ze op bepaalde gebieden meer effect heeft dan andere therapieën. Zo’n conclusie mag echter alleen met het grootste voorbehoud worden gemaakt, want:

• je moet geen appels met peren vergelijken. Hiermee bedoel ik dat je alleen effect sizes met elkaar mag vergelijken die betrekking hebben op exact dezelfde diagnoses.
• het aantal studies waarop effect-sizes betrekking hebben kan van elkaar verschillen.
• het is noodzakelijk een fail-safe (Rosenthal) methode toe te passen waarbij een schatting wordt gemaakt van het aantal effect studies dat geen significante resultaten heeft opgeleverd. Deze studies werden om die reden meestal niet gepubliceerd.
• je moet rekening houden met de verschillen in berekeningen (d, g en wel en niet gecorrigeerde r’s, zie voetnoot).

Enfin, op dit punt is dus een aanvullende stringentere analyse noodzakelijk. Het feit dat creatieve therapie weinig gecontroleerde studies kent beperkt de mogelijkheden om effect sizes te berekenen natuurlijk. Naast de (terechte) nadruk op kwalitatief onderzoek zou er ook een continue productie van gecontroleerde effectstudies moeten plaatsvinden.

Kwalitatieve meta-analyses
Van een kwalitatieve meta-analyse is sprake als kwantitatieve en/of kwalitatieve studies niet - zoals bij de effect size - statistisch met elkaar vergeleken worden, maar een kwalitatieve evaluatie en vergelijking ondergaan. Zelf heb ik ten behoeve van de methodiekontwikkeling in de muziektherapie in het verleden case studies en kwantitatieve studies geanalyseerd en met elkaar vergeleken met als doel algemene richtlijnen voor de behandeling van specifieke psychische stoornissen en handicaps te ontwikkelen (zie bijvoorbeeld Smeijsters, 1995).
Daarnaast ben ik bezig geweest met het aan de hand van een set standaardcriteria analyseren van kwantitatieve studies die betrekking hebben op specifieke psychische stoornissen en handicaps. Doel van deze analyses is het bepalen van de kwaliteit en stevigheid van de effecten. Van dit laatste geeft Tabel 1 een overzicht:

Tabel 1 Kwalitatieve meta–analyses van kwantitatief onderzoek in de muziektherapie
(Smeijsters, 1997, 2001)




Diagnose Aantal onderzoeken*Jaar
Depressie
31997a
Schizofrenie
6 1997a
Alzheimer
8 197c
Automutulatie bij verstandelijk gehandicapten met autisme
5 2001a

*Bedoeld is het aantal onderzoeken dat in de meta-analyse werd opgenomen.

Onderstaand voorbeeld van Dubowski (zie kader) is een zogenaamde case series analyse, waarbij retrospectief case studies (in dit geval behandelprotocollen) aan een analyse onderworpen worden. Het voorbeeld laat zien dat beeldend therapeuten en muziektherapeuten een belangrijk deel van hun gestelde doelstellingen bereiken en daarnaast (additioneel) eindtermen realiseren die vooraf niet gesteld waren.


Gemiddeld aantal doelenGesteld Bereikt additioneel
Beeldende therapie
21.20.6
Muziektherapie
4.9 3.63.0


Effect van beeldende therapie en muziektherapie op basis van een kwalitatieve inhoudsanalyse van 26 case records (Dubowski, 2001):

Een theoretische verklaring
Wil men de toegevoegde waarde van de creatief therapeutische behandeling vaststellen dan is allereerst vereist dat effecten optreden. In de criteria voor indicatiestelling gaat het vaststellen van de effecten dan ook vooraf aan de theoretische verklaring van de effecten. In de vorige passage heb ik voorbeelden gegeven van de resultaten van effectonderzoek bij verschillende stoornissen.
Op deze plaats ga ik aan de hand van het voorbeeld depressie in op de theoretische verklaring van de toegevoegde waarde van de behandeling.
Ik match de kenmerken van creatieve therapie met algemene uitgangspunten in de behandeling van depressie om zo te laten zien dat creatieve therapie hierbij goed aansluit. Daarmee hoop ik voor depressie aan te tonen dat er argumenten zijn waaruit blijkt dat creatieve therapie een ‘toegevoegde waarde’ heeft in de behandeling van depressie. Ik zeg daarmee niet dat creatieve therapie dit beter kan dan andere vormen van therapie, maar dat zij een bijdrage kan leveren. Ik richt me niet op specifieke doelstellingen, maar op algemene uitgangspunten bij de behandeling van depressie.

Creatieve therapie bij depressie, een rationale:

• CT is handelingsgericht
• Actief handelen doorbreekt de vicieuze cirkel van passiviteit, leidt tot plezierige ervaringen, versterkt door het onmiddellijke effect van de handeling de intrinsieke motivatie om te handelen

• Actief handelen laat de cliënt ervaren dat hij greep heeft op situaties

• CT is interactioneel
• Het veranderen van de interactiepatronen wijzigt starre interactiepatronen die de depressie in stand houden

• CT is lichaamsgericht
• De inzet van het lichaam doorbreekt fysieke patronen die de depressie in stand houden

• In CT krijgen gevoelens een expliciete vorm
• Receptief en/of actief tot expressie brengen van gevoelens vermindert de transformatie van gevoelens in naar binnen gekeerde depressieve symptomen

• Door in het medium gevoelens te expliciteren worden innerlijke ervaringen bekrachtigd waardoor het zelfbeeld verstevigd wordt

Vaststellen van de toegevoegde waarde: een opdracht voor de toekomst

De vraag naar de toegevoegde waarde zal steeds luider worden( Hutschemaekers & Neijmeijer, 1998). Met de kritische opmerkingen van Seligman en Wampold in gedachten lijkt het verstandig de ‘toegevoegde waarde’ niet te zeer te vereenzelvigen met ‘het specifieke van creatieve therapie’. Specifieke en non-specifieke factoren vormen - zoals meerdere keren werd opgemerkt - immers een eenheid, hun verstrengeling maakt dat therapie werkt en de poging door middel van onderzoek specifieke factoren te isoleren blijkt een heilloze onderneming. Seligman en Wampold maken duidelijk dat grote investeringen in het zogenaamde efficacy onderzoek, bedoeld om specifieke factoren te isoleren, tot kunstmatig onderzoek leidt en eventuele negatieve uitkomsten door critici methodologisch weggeredeneerd worden.
Wellicht is het verminderen van de aandacht voor ‘het specifieke van creatieve therapie’ niet compatibel met de gerechtvaardigde vraag vanuit de overheid de therapieën beter van elkaar te onderscheiden. Maar we moeten ons de vraag stellen of de claim om specifieke factoren voor creatieve therapie te onderzoeken vanuit methodologisch oogpunt wel haalbaar is. Het lijkt verstandiger al onze energie te steken in onderzoek dat aantoont dat creatieve therapie effect heeft en praktijkonderzoek dat de gebruikte methoden, werkvormen en technieken optimaliseert (Wampold, 1997).

Noten
1. Overigens is er evenveel kans dat het subjectieve oordeel van cliënten ten nadele van de therapie uitvalt. Verder blijkt er een hoge correlatie te bestaan tussen self-reports van cliënten en de diagnoses van therapeuten (zie Seligman).
2. Onderzoek naar specifieke factoren in de psychotherapie heeft uitgewezen dat de ene vorm van therapie niet beter is dan de andere (Luborsky, Singer & Luborsky, 1975; Lambert & Bergin, 1994). Dit gegeven staat bekend als de ‘dodo bird’ hypothese die luidt: alle vormen van psychotherapie zijn even goed.
3. Een gemiddelde effect size van d = .40 betekent dat de effecten van de therapie .40 standaarddeviaties groter zijn dan de (non-specifieke) effecten van placebo’s.
4. Rosenthals r gaat uit van een correlatiecoëfficiënt die afgeleid is van de t-waarde. In dit geval moet verschil gemaakt worden tussen between-groups maten (die de experimentele en controlegroep met elkaar vergelijken) en repeated measures maten (die de pretest en posttest van de experimentele groep met elkaar vergelijken). Gebruikt men r dan is het correct alleen de between-groups maten op te nemen. De r is daardoor lager dan d, maar wel equivalent aan de hogere waarden van d. Voor r geldt: r = .10 is klein (vergelijkbaar met d = .20), r = .24 is matig (vergelijkbaar met d = .50) en r = .37 is groot (vergelijkbaar met d = .80).

Referenties
Argyris, C. & Schön, D.A. (1978). Organizational learning, a theory of action perspective.
Massachusetts: Addison-Wesley.
Barker, S.L., Funk, S.C. & Houston, B.K. (1988). Psychological treatment versus nonspecific
factors: A meta-analysis of conditions that engender comparable expectations for
improvement. Clinical Psychology Review, 8, 579-594.
Bie, D. de & Kleijn, J. de (2001). Wat gaan we doen ? Het construeren en beoordelen van opdrachten.
Praktijkboek bij Onderwijs als Opdracht. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum
Cleven, G. (2001a). Met schrijven zichtbaar in beeld. Over het belang van het ontwikkelen en
schrijven van modulen en producten. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 20 (4), 29-
31.
Cleven, G. (2001b). Van kunst naar kunde. Op weg naar een module schrijven. Tijdschrift voor
Creatieve Therapie, (20 (2), 9-11.
Cohen, J. (1977). Statistical power analysis for the behavioral sciences. San Diego: Academic Press.
Cohen, B.M. & Millls, A. (2000). Report on the Diagnostic Drawing Series (DDS Project,
P.O. Box 9853, Alexandria VA 22304).
Cogan, K.B. & Paulson, B.L. (1998). Picking up the pieces: Brief report on
inmates’ experiences of a family violence drama project. The Arts in Psychotherapy,
Vol. 25 (1), 37-43.
Cruz, R.F. & Sabers, D.L. (1998). Dance/movement therapy is more effective than
previously reported. The Arts in Psychotherapy, Vol. 25 (2), 101-104.
Davis, M. (1991). Guide to movement analysis methods. Unpublished. Zie: Stanton-Jones
(1992). Dance movement therapy. London: Tavistock/Routledge.
Dibbell-Hope, S. (2000). The use of dance/movement therapy in psychological adaptation to
breast cancer. The Arts in Psychotherapy, 27 (1), 51-68.
Drieschner, K. (1997). Vermindering van boosheid door muziektherapie: een gecontroleerd
effectonderzoek met forensisch psychiatrische patiënten. Amsterdam: Universiteit van
Amsterdam.
Drieschner, K. (2002). Het ontwikkelen van creatief therapeutische producten. Tijdschrift
Creatieve Therapie, 21 (1), 12-15.
Drieschner, K. & Pioch, A. (2000). Muziektherapie op maat. Methodische keuzes van
ervaren muziektherapeuten. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 19 (3), 9-17.
Dubowski, J. (2001). Developing a research strategy for the arts therapies. In: L.
Kossolapow, S. Scoble & D. Waller (eds). Arts - Therapies – Communication. On the
way to a communicative European Arts Therapy. Münster: Lit Verlag.
Fenner, P. (1996). Heuristic research study: Self-therapy using the brief image-making
experience. The Arts in Psychotherapy. Vol. 23 (1), 37-51.
Gold, C. Voracek, M. & Wigram T. (2002). Effects of music therapy with mentally ill
children and adolescents: A meta-analysis. Aalborg: University of Aalborg.
Grainger, R. (1987). Evaluation in dramatherapy. In: D. Milne (ed). Evaluating mental health practice.
London: Croom Helm.
Greenberg, R.P., Bornstein, R.F., Zborowski, M.J., Fischer, S. & Greenberg, M.D. (1994). A
meta-analysis of fluoxetine outcome studies in the treatment of depression. The
Journal of Nervous and Mental Disease, 182, 547-551.
Hacking, S. & Foreman, D. (2001). Psychopathology in paintings: A meta-analysis of studies using
paintings by psychiatric patients. British Journal of Medical Psychology, 74, 35-45.
Hattum, M. van & Hutschemaekers, G. (2000). Vakwerk. Producttyperingen van vaktherapeuten voor
het programma stemmingsstoornissen. Utrecht: Trimbos-instituut.
Heaney, C.J. (1992). Evaluation of music therapy and other treatment modalities by
adult psychiatric patients. Journal of Music Therapy, XXIX (2), 70-86.
Hedges, L.V. & Olkin, I. (1985). Statistical methods for meta-analysis. Orlando: Academic Press.
Hutschemaekers, G. (2001). Onder professionals. Hulpverleners en cliënten in de geestelijke
gezondheidszorg. Nijmegen: SUN.
Hutschemaekers, G. & Neijmeijer, L. (1998). Beroepen in beweging. Professionalisering en
grenzen van een multidisciplinaire GGZ. Utrecht/Houten: Trimbos-instituut/Bohn
Stafleu Van Loghum.
Johnson, D.R. (1988). The diagnostic role-playing test. The Arts in Psychotherapy, 15 (1),
23-36.
Jonghe, F. de, Janssen, R., Rijnierse, P. (1987). Uitzicht op inzicht. I. Tijdschrift voor Psychotherapie,
13, 180-199.
Jonghe, F. de, Janssen, R., Rijnierse, P. (1988a). Uitzicht op inzicht. II. Tijdschrift voor
Psychotherapie, 14, 2-15.
Jonghe, F. de, Janssen, R., Rijnierse, P. (1988b). Uitzicht op inzicht.II I. Tijdschrift voor
Psychotherapie, 14, 91-99.
Kolb, D.A. (1984). Experiental learning. Experience as the source of learning and development.
Englewood Cliffs: Prentice-Hall.
Lambert, M.J. & Bergin, A.E. (1994). The effectiveness of psychotherapy. In: A.E. Bergin & S.L.
Garfield (eds). Handbook of psychotherapy and behaviour change. New York: Wiley.
Landelijk Opleidingsprofiel Creatieve Therapie (1999). Hogeschool van Arnhem & Nijmegen,
Hogeschool Limburg, Hogeschool van Utrecht, Christelijke Hogeschool Noord-Nederland.
Luborsky, L., Singer, B. & Luborsky, L. (1975). Comparative studies of psychotherapies. Archives of
General Psychiatry, 32, 995-1008.
Mannheim, E., Liesenfeld, M. & Weis, J. (2000). Tanztherapie in der onkologischen
Rehabilitation: Konzepte und empirische Ergebnisse zu Auswirkungen auf die
Lebensqualität. Musik-, Tanz- und Kunsttherapie, 11 (2), 80-86.
Pavlicevic, M. & Trevarthen, C. (1989). A musical assessment of psychiatric states in adults.
Psychopathology, 22, 325-334.
Pavlicevic, M., Trevarthen, C. & Duncan, J. (1994). Improvisational music therapy and the
rehabilitation of persons suffering from chronic schizophrenia. Journal of Music
Therapy, XXXI (2), 86-104.
Pioch, A. & Drieschner, K. (2001). Een pragmatische benadering ter ontwikkeling van
modules. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 20 (4), 7-10.
Polanyi, M. (1967). The tacit dimension. London: Routledge Kegan Paul.
Rauh, W. (2001). Schrijven in een module-ontwikkelingsgroep. Tijdschrift voor Creatieve
Therapie, 20 (4), 29-31.
Ritter, M. & Low, K.G. (1996). Effects of dance/movement therapy: A meta-analysis. The Arts in
Psychotherapy, Vol. 23 (3), 249-260.
Rosenthal, R. (1984). Meta-analytic procedures for social research. Beverly Hills: Sage.
Rutten-Saris, M. J. (2002). The RS-Index: A diagnostic instrument for the assessment of interaction structures in drawings. PhD Dissertation. Hertfordshire: University of Hertfordshire.
Saunders, E.J. & Saunders, J.A. (2000). Evaluating the effectiveness of art therapy through a
quantitative, outcomes-focused study. The Arts in Psychotherapy, 27 (2), 99-106.
Schweizer, C. (red.) (2001). In beeld. Doelgroepgerichte behandelmethoden van beeldend
therapeuten. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Seligman, M.E.P. (1995). The effectiveness of psychotherapy. The consumer reports study. American
Psychologist, Vol. 50 (12), 965-974.
Smith, M.L., Glass, G.V. & Miller, T.I. (1980). The benefits of psychotherapy. Baltimore:
John Hopkins University Press.
Smeijsters, H. (1987). Muziek en psyche. Thema’s met variaties uit de muziekpsychologie.
Assen/Maastricht: Van Gorcum.
Smeijsters, H. (1991). Muziektherapie als psychotherapie. Assen/Maastricht: Van Gorcum.
Smeijsters, H. (1995). Handboek muziektherapie. Theoretische grondslagen voor de behandeling van
specifieke stoornissen en handicaps. Heerlen: Melos.
Smeijsters, H. (1997a). Die therapeutische Wirkung der Musik. – Ergebnisse der Forschung. In: L.
Müller & H.G. Petzold (Hrsg). Musiktherapie in der klinischen Arbeit. Integrative Modelle und
Methoden. Stuttgart: Gustav Fischer Verlag.
Smeijsters, H. (1997b). Multiple perspectives. A guide to qualitative research in music therapy.
Gilsum: Barcelona Publishers.
Smeijsters, H. (1997c). Musiktherapie bei Alzheimer-Patienten. Eine Meta-Analyse der Effekt
Forschung. Musiktherapeutische Umschau. 18 (4), 268-283.
Smeijsters, H. (2000). Handboek creatieve therapie. Bussum: Coutinho.
Smeijsters, H. (2001a). Die musiktherapeutische Behandlung der Autoaggression bei geistig
Behinderten mit Autismus. Musiktherapeutische Umschau, 22 (3), 204-223.
Smeijsters, H. (2001b). Een masterplan richting wetenschap. Tijdschrift voor
Creatieve Therapie, 20 (3), 4-11.
Smeijsters, H. (2002a). Kenniscentrum vaktherapieën. Onderzoek naar de haalbaarheid van een
landelijk kenniscentrum voor vaktherapieën. In opdracht van het Landelijk Platform Creatieve
Therapie. Sittard: Hogeschool Zuyd.
Smeijsters, H. (2002b). Knowledge creation by means of knowledge sharing. Heerlen: Kenniskring
Kennisorganisaties & kennismanagement Hogeschool Zuyd.
Smeijsters, H. (2002c). Marktonderzoek naar de behoefte aan nascholing, coaching en
praktijkonderzoek bij vaktherapeuten. Sittard: Hogeschool Zuyd.
Smeijsters, H. & Van den Hurk, J. (1999). Music therapy helping to work through grief and
finding a personal identity. Qualitative single case research. Journal of Music Therapy,
Vol. XXXVI (3), 222-252.
Visser, K. & Hummelen, K. (1988). Verschillen in de kreatieve therapie tussen borderline en
neurotische patiënten. Tijdschrift voor Kreatieve Therapie, 7 (1), 11-13.
Wampold, B.E. (1997). Methodological problems in identifying efficacious psychotherapies.
Psychotherapy Research, 7 (1), 21-43.


DE AUTEUR
Dr. Henk Smeijsters is lector van de Kenniskring Kennisontwikkeling Vaktherapieën van de Hogeschool Zuyd, de Hogeschool van Utrecht en de Saxion Hogeschool Enschede.

SUMMARY
The article gives an overview of the ‘state of the art’ of the creative arts therapies. It describes several consensus based and evidence based results of national and international quantitative and qualitative research programs. These results are presented along the basic concepts of clinical reasoning: diagnosis, indication, goals, methods, effects and rationales of treatment.
More particularly the article gives examples of qualitative naturalistic research programs that have been initiated and coordinated by the Dutch Association for Creative Therapy and the Dutch training programs for creative arts therapies. These programs are closely connected to recent developments in the Dutch health care system. All therapies are obliged to describe their treatment methods and to show that these methods are evidence based.
A critical discussion is included concerning the issue how ‘evidence based’ should be defined. The article implies that there are many types of evidence that all should be part of the body of knowledge of the creative arts therapies.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie