Gast auteur PMT Info Site

oktober 2004




Ruud Bosscher over nieuw onderzoek naar gezond bewegingsgedrag.

Een interview


Jan de Lange


Inleiding
Op 29 0ktober 2001 kwamen de De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Vereniging van Hogescholen, de HBO-Raad overeen dat er gelden ter beschikking kwamen om lectoren en kenniskringen te ontwikkelen. Onlangs werd Ruud Bosscher benoemd als vierde en voorlopig laatste lector vaktherapie. Maar wat houdt die functie in, en wat is een kenniskring?

Vier Lectoraten vaktherapie
Lectoren zijn hoog gekwalificeerde professionals die ruime ervaring hebben met onderwijs en onderzoek op een bepaald vakgebied en die door hun prestaties een groot gezag genieten als deskundige. De gedachte is lectoren in te zetten als centrumfunctie in te vormen kenniskringen, waaraan naast de lector ook andere docenten deelnemen. Op deze manier wilde men op hogescholen de overdracht, verspreiding, circulatie en ontwikkeling van kennis verstevigen en vergroten. Binnen deze kenniskringen wordt de inhoudelijke expertise op een bepaald gebied gebundeld en verder ontwikkeld.
Een van die vier lectoren vaktherapie laten we hier aan het woord. Ruud Bosscher, Lector Bewegen en Gedragsbeïnvloeding aan de Hogeschool Windesheim,

De meeste psychomotorisch therapeuten kennen je wel. Toch lijkt het me aardig om jouw achtergronden nog even te belichten.
Ruud Bosscher:
Ik heb eerst de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen gevolgd, daarna de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding Vrije Universiteit Amsterdam. Vanaf 1978 ben ik Universitair docent aan de Faculteit Bewegingswetenschappen. Ik heb ook nog twee jaar aan het gymnologisch instituut gedoceerd. In 1991 ben ik gepromoveerd op een onderzoek naar de effecten van Runningtherapie bij depressie. Vanaf 1975 tot 2000 ben ik redacteur geweest van Tijdschrift voor Psychomotorische Therapie en later bij Bewegen & Hulpverlening. Ik ben onder meer Lid kamer Vaktherapeuten Commissie Centraal Orgaan Opleiding en Nascholing (CONO) en maak deel uit van de commissie onderzoek van de NVPMT.

Wat houdt het lectoraat aan Windesheim in?
Ruud Bosscher:
De programma aanvraag voor het lectoraat is gedaan door de CALO van Windesheim. Vanuit een wetenschappelijk gezichtspunt is nog nauwelijks empirisch onderzoek gedaan naar de effecten van gewenste bewegingspraktijken in contexten binnen werkvelden van het onderwijs, de gezondheidszorg, het welzijnswerk en de vrijetijdsbesteding (beweging en sport). Dit empirisch deficit vraagt om relevant toepassingsgericht onderzoek waarin de effecten van die beïnvloedingspraktijken op kinderen, jeugdigen en volwassenen in contexten binnen die vier sectoren van onze samenleving in kaart worden gebracht. Hierdoor zal de overdracht, verspreiding en circulatie van innovatieve kennis binnen en tussen de opleidingen van Windesheim kunnen plaatsvinden en meer in het algemeen ter beschikking komen van het wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs in ons land en daarbuiten. Als lector speel ik daarbij een centrale rol, bijgestaan door een kenniskring.
Hoewel de aanvraag is gedaan door de CALO, zijn er ook andere studierichtingen aan Windesheim bij betrokken: verpleegkunde, logopedie en sociaal pedagogische hulpverlening.

Hoe groot is dat lectoraat?
Bosscher: Fullt time, verdeelt over twee lectoren. Sinds oktober 2003 is Harrie Stegeman al in touw voor onderwijs (lichamelijke opvoeding) en vrije tijd (sport en beweging). Ikzelf richt me vooral op de gezondheidsopleidingen en de welzijnszorg.
Wij worden ondersteund door een kenniskring. Harrie en ik kunnen samen 9 leden benoemen, waarbij iedereen een aanstelling voor 0,2 fte krijgt, een dag per week dus. Mijn eigen kenniskring zal uit vier leden bestaan. Met hen zal ik verdiepend en verbredend voortbouwen op het gedachtegoed dat is ontwikkeld met betrekking tot de toepassingsmogelijkheden van het bewegen in samenlevingsverbanden binnen de intersectorale afdeling voor bewegen en sport. Ik hoop voor de zomervakantie een kenniskring opgericht te hebben. De leden van deze kring komen uit het korps van opleidingsdocenten van de brede intersectorale afdeling voor bewegen en sport, de educatieve opleidingen, de sociaal-pedagogische opleiding en de gezondheidsopleidingen van Windesheim.

Jij werkt nu voor de VU, blijf je dat combineren met je lectoraat?
Bosscher: Jazeker, tot mijn opdracht behoort onder meer om de twee opleidingen, bewegingswetenschappen aan de VU en de BPT aan Windesheim beter op elkaar te gaan afstemmen. Het moet bijvoorbeeld mogelijk worden dat studenten aan de CALO met een bijzondere belangstelling eventueel kunnen doorstromen naar de master of science aan de VU.

Wat gaan je werkzaamheden inhouden?
Bosscher: Hierbij kun je denken aan ontwikkelen van toegepast wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot bewegen en sport in werkvelden van het onderwijs, de gezondheidszorg, het welzijnswerk en de vrijetijdsbesteding. Verder zal ik een bijdrage leveren aan het vernieuwen van het curriculum van de opleiding BPT, en me richten op professionalisering van docenten. Ook zal ik een rol spelen bij het ontwikkelen van een bachelor en masteropleiding PMT.

Onderzoek aan een HBO instelling?
Bosscher: De laatste jaren zie je een omslag in de cultuur van het HBO onderwijs. Dit heeft onder meer geleid tot het instellen van de lectoraten en kenniskringen. Het onderzoek dat ik wil stimuleren aan de hogeschool is vooral een praktijkgericht onderzoek. We zijn op de hogeschool ook in overleg om over de volle breedte een onderzoekscentrum voor de hogeschool te ontwikkelen.

Wat is het verschil met het onderzoek aan de universiteit?
Bosscher: Het wetenschappelijk onderzoek is meer gericht op theoretische inbedding en toetsing van bijvoorbeeld een theorie over het menselijk bewegen. Praktijkonderzoek begint dichter bij de werkvloer. We kunnen dan kennis genereren, bijvoorbeeld over motivatietechnieken van psychomotorisch therapeuten, ook zonder dat we de werkzaamheid direct willen moeten verklaren.
Maar ook bij bewegingswetenschappen is er meer aandacht voor onderzoek dat aansluit bij vragen in de samenleving en waaruit kennis voortkomt die bruikbaar is. Binnen de Faculteit Bewegingswetenschappen kun je dan vooral denken aan de richtingen sport, gezondheid en arbeid. Het PMT programma zal worden uitgebreid.

Staat deze trend dan haaks op hang naar evidence based kennis in de GGZ?
Bosscher: Nee. Het is natuurlijk waar dat praktijkonderzoek niet de gouden standaard volgt van de RCT onderzoeken. In de GGz geldt het onderzoek zoals dat naar geneesmiddelen gebeurt, als een gouden standaard. Patiënten die meedoen aan een medicijnen onderzoek krijgen op grond van het toeval het werkzame middel, een placebo of komen in een controlegroep. Dat is in de psychologische hulpverlening niet zomaar te realiseren, en zeker niet op het gebied van de vaktherapie. Daarvoor zijn we ook nog eens te klein. Maar door middel van praktijkonderzoek kunnen we belangrijke stappen zetten in de richting van een werkwijze die door onderzoek ondersteund wordt. Wanneer een grote groep experts vergelijkbare methoden of technieken blijken toe te passen, kun je deze expliciteren volgens een heldere systematiek in kaart brengen. Je ontwikkelt dan expert-kennis, een indikking van individuele kennis. Die kennis kun natuurlijk ook weer gaan toetsen. Maar je hoeft niet direct naar verklaringen te zoeken, zoals in wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is.

Gaan de onderzoeksprojecten aansluiten bij jouw belangstelling voor de runningtherapie?
Bosscher: Ik ben me de laatste jaren min of meer bij toeval ook gaan bezighouden met onderzoek naar hulpverlening aan ouderen. Maar het is niet de bedoeling dat ik zelf (veel) onderzoek ga doen. Al heb ik natuurlijk interesses, zoals bijvoorbeeld de tevredenheid van cliënten over PMT, of de wijze waarop pmt-ers cliënten voorlichting geven, hun therapie van een rationale voorzien. Dat zijn belangrijke factoren voor de uitkomst van een therapie. Maar de onderzoeksprojecten moeten ook aansluiten bij de belangstelling van de leden van de kenniskring. En wat natuurlijk ook een rol speelt is de vraag uit het veld. Praktijkonderzoek moet antwoorden geven op vragen die mensen in de praktijk hebben, niet op vragen die wetenschappelijk van belang zijn.

Wat stel ik me voor bij zulke projecten?
Bosscher: Nou op het gebied van welzijnswerk kun je denken aan projecten van gemeenten voor te dikke kinderen. Of aan de ontwikkeling van bewegingsvoorzieningen ter bevordering van de integratie van allochtone vrouwen. Natuurlijk kunnen projecten ook ontwikkeld worden vanuit initiatieven van leden van de kenniskring, of naar aanleiding van vragen van de beroepsgroep of gezondheidszorginstellingen. De inhoud van de projecten is niet in de aanvraag geformuleerd. De opdracht voor het lectoraat is dus heel open.

Wat gaan je werkzaamheden voor het curriculum inhouden?
Bosscher: Om te beginnen zullen Harrie en ik een basismodule bewegen en gedragsbeïnvloeding ontwikkelen. Ik speel wel een rol in het ontwikkelen van onderzoek, in het ontwerpen van curricula die studenten aan het HBO meer dan voorheen wegwijs gaat maken in de wereld van onderzoek, zodat deze kennis voor en toegankelijk en bruikbaar wordt. Wij moeten hen onderzoeksminded maken. Verder gaan we de docenten professionaliseren wat betreft hun kennis over bewegen en gedragsbeïnvloeding, zodat ze gebruik gaan maken van de meeste recente kennis.

Zie jij het lectoraat als middel om de banden met de CT nauwer aan te trekken?
Bosscher: Dat valt voorlopig nog even buiten het lectoraat. Maar wat betreft de master opleiding zullen we gaan overleggen met de CT. En ook voor de nieuwe curriculums voor de bachelor moeten we gaan afstemmen. Er zijn natuurlijk wel gedeelde vakken, zoals psychopathologie en het klinisch redeneren. Er moet een duidelijk beroeps- en opleidingsprofiel vaktherapeut komen. Maar of er nu een geïntegreerde opleiding moet gaan komen, weet ik nog niet.

Zijn er nog meer zaken waar je mee aan de slag gaat?
Bosscher: Een van de opdrachten is ook om een kennisadviescentrum te ontwikkelen op gebied van bewegen en gedragsbeïnvloeding. Maar wat moet dat gaan inhouden en hoe verhoudt zich dat tot bestaande kenniscentra, zoals van Sport en Bewegen? Gaan we ook een web-site openen, en gaan we dan samenwerken met bijvoorbeeld de PMT Info Site? Daar liggen nog heel wat vragen. We gaan wel internationale samenwerking zoeken, met onze zuiderburen en met bijvoorbeeld Klaus Fisher in Duitsland, die een vergelijkbare visie op pmt heeft als wij in Nederland. En natuurlijk met andere hogescholen in Nederland.

Voor hoe lang is het lectoraat in het leven geroepen?
Bosscher: Mijn aanstelling is voor een periode van vier jaar, met de mogelijkheid van verlenging. Het lectoraat wordt de eerste vier jaar gefinancierd door het SKO maar moet daarna zichzelf bedruipen.

Hoe kan een lectoraat dan geld verdienen?
Bosscher: Doordat het onderzoeksopdrachten weet binnen te halen. Misschien kunnen we zelfs projecten binnenhalen waarop we weer nieuwe onderzoekers kunnen aanstellen, naast de kenniskring. Het is maar de vraag of dat gaat lukken. Mogelijk kunnen we regionaal een rol spelen, bijvoorbeeld bij zorginstellingen in de regio rond Zwolle. Maar we zullen ook elders projecten moeten zien binnen te halen, zoals bij het Trimbos Instituut of zorgonderzoek Nederland of misschien zorgverzekeraars.

Ik wens je veel succes!
Bosscher: Dank je wel. Vooralsnog vind ik het een leuke nieuwe uitdaging in mijn carrière.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie