Gast auteur PMT Info Site
Vaktherapie onder de loep (1)
Een enquête onder vaktherapeuten over mogelijke samenwerkingsvormen tussen PMT en CT
Winneke Rauh en Dieke van Duijnhoven
Dit artikel verscheen eerder in het Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2004, 2.
Inleiding
De redactie van het TvCT heeft in februari een enquête verstuurd aan een groot aantal vaktherapeuten. In deze enquête stond het thema vaktherapie centraal, waarbij vragen werden gesteld over mogelijke samenwerkingsvormen tussen de beroepgroep PMT en CT. Doel van de enquête: een beeld krijgen van de ideeën die er op de werkvloer over vaktherapie bestaan, van de visie op samenwerking tussen PMT en CT, en de wijze waarop deze toekomstige samenwerking gestalte zou kunnen krijgen.
In dit artikel worden de uitkomsten van de enquête weergegeven. Deze is aan naar schatting 250 vaktherapeuten verstuurd, waarvan er 45 ingevuld teruggestuurd zijn. Wij ontvingen 6 enquêtes van PMT-ers, 15 enquêtes van beeldende therapeuten, 10 van dramatherapeuten, 12 van muziektherapeuten, één exemplaar van de beroepsgroep dans, en één van een lector van een kenniskring.
Tot slot van deze inleiding zijn wij genoodzaakt te zeggen dat aan de uitkomst van deze enquête geen conclusies mogen worden verbonden ten aanzien van het gehele palet aan meningen rondom de ontwikkelingen van vaktherapie, omdat het hier niet om een werkelijke steekproef gaat, en er te veel ongecontroleerde variabelen aanwezig zijn.
1. Wat houdt vaktherapie volgens jou in?
Het grootste deel van de respondenten beschrijven vaktherapie als een verzamelnaam voor PMT en alle vormen van creatieve therapie. Maar ook andere omschrijvingen doen de ronde; een verzamelnaam voor HBO-therapeuten, een specialistische therapie gegeven door HBO-therapeuten, ervaringsgerichte therapie, eventueel op creatief niveau daaraan toegevoegd. Ook meer inhoudelijke beschrijvingen volgen, waarbij het medium en het non-verbale karakter specifieker benoemd worden: een therapie waarbij op non-verbale wijze getracht wordt om binnen een bepaald medium een veranderingsproces op gang te brengen; een volwaardige of aanvullende therapie, waarbij hantering van het middel centraal staat, waardoor andere mogelijkheden of ingangen dan verbale therapieën ontstaan; het integreren van een gewenste ervaring. Ook een bijdrage aan diagnostiek komt nog om de hoek kijken.
Een letterlijke link naar het woord vaktherapie wordt gebruikt als men spreekt van een therapie waarin een vak centraal staat om problemen te bewerken, of men de link legt naar ambacht. Ook het beheersen van je vak wordt aangedragen, wat ingezet wordt teneinde verandering op gang te brengen. De meest letterlijke link werd gelegd naar ‘iets waar iets in moet, of iets wat iets anders omhult, afgebakend, zonder ideeën qua betekenis’.
Een therapeut haalt de oorsprong van de term vaktherapie aan: ‘het woord vaktherapie wordt gebruikt door de psychomotorische therapeuten op indicatie van het Trimbosch instituut. Het instituut wil op deze manier de term non-verbale therapie vervangen, omdat het verbale in de therapie door deze term als onbelangrijk wordt beschouwd, terwijl dit toch een essentieel element in de therapie is. (Noot van de redactie: de term is inderdaad afkomstig van het Trimbosch instituut, maar wordt echter niet alleen door psychomotorische therapeuten gehanteerd. In het interview over vaktherapie met de voorzitters van beide beroepverenigingen, leest u hier in dit nummer meer over).
Twee therapeuten haalden bij de omschrijving van het woord vaktherapie alleen de CT-ers, en niet ook de PMT-ers, als vaktherapeuten aan.
2. Wat vind je van de naam ‘vaktherapie’?
Iets meer dan de helft van de respondenten vindt de term niet geschikt. Uit deze groep komen geluiden naar voren als te vaag, niet duidelijk. Eén therapeut geeft aan de term denigrerend te vinden, alsof er benadrukt moet worden dat vaktherapeuten voor een vak gekozen hebben. Ook ligt volgens een therapeut de associatie met ‘een vak leren’, zoals bijv. timmerman, op de loer. Suggesties voor een meer dekkende naam worden door een aantal therapeuten aangedragen, maar een naam voor zowel CT als PMT komt niet naar voren. Ondersteunende therapie haalt naar beneden, mediumtherapie klinkt te paranormaal, ervarings- of lichaamsgerichte therapie dekt de lading niet. In ieder geval, zo vinden meerderen, moet de term voor een deel laten zien waar je mee werkt, zoals dat nu uit de benamingen van de verschillende creatieve therapieën blijkt.
Iets minder dan de helft vindt de term hanteerbaar. Daarbij speelt gewenning voor een aantal een rol. Anderen vinden de term echter duidelijk, met een professionele uitstraling en zelfstandige identiteit, kort en krachtig. Zo kan de term geen misverstanden oproepen zoals creatieve therapie dat kan doen, waarbij soms gedacht wordt aan handenarbeid, en zoals één therapeut het noemt: ‘fröbelen’.
3. Stelling: Als de psychomotorische therapeuten en creatief therapeuten gaan samenwerken, profileren we ons beter (binnen de GGZ).
34 Respondenten (75,6%) zijn het hiermee eens, 4 (8,9%) zijn het met deze stelling oneens. Dan zijn er nog 7 therapeuten die niet expliciet gekozen hebben voor eens of oneens, en hun ideeën weergegeven hebben.
Er zijn verschillende argumenten gegeven door therapeuten die het eens zijn met bovenstaande stelling. Zo geeft een aantal aan dat een grote groep meer invloed heeft dan een kleine groep, waardoor meer draagvlak ontstaat, en dat je van elkaars verworvenheden en vaardigheden kunt leren. Velen geven aan dat er veel raakvlakken zijn tussen de verschillende beroepsgroepen; dezelfde behandeldoelen, andere middelen. Een ander geeft aan dat het ministerie met zo min mogelijk organisaties te maken wil hebben. En wil men onder de BIG-wet vallen, dan is één organisatie voor vaktherapieën waarschijnlijk de enige kans. Een ander geeft nog eens nadrukkelijk aan dat de toekomst van vaktherapieën afhankelijk is van krachtenbundeling. Samenwerking; niet als vraag, maar als noodzaak.
Twijfelaars geven enerzijds aan dat samenwerking tussen CT en PMT bij kan dragen aan meer impact en uitstraling, maar lijken anderzijds huiverig te zijn voor een onduidelijkere differentiatie tussen de beroepsgroepen. Een twijfelaar zegt dat het beter is dat de NVCT zelf werkt, dan dat zij de NVPMT voor haar karretje spant.
Respondenten die het oneens zijn met de stelling geven verschillende argumenten weer. Zo bestaat er volgens een therapeut een verschil in denkwijze en werken van creatief therapeuten en psychomotorische therapeuten; bij creatieve therapie wordt t.o.v. psychomotorische therapie geput uit een ‘kunstzinnige’ bron. Een ander geeft aan dat we dan weer jaren bezig zijn om alle tot nu toe bekende begrippen er uit te halen en de nieuwe term te implementeren. Nog een ander geeft aan dat dit meer vervlakking en geen inhoudelijke voordelen tot gevolg heeft. Tot slot geeft één therapeut aan dat CT zichzelf goed genoeg kan profileren.
4. Stelling: Als beide therapievormen gaan samenwerken, verliezen we onze identiteit.
36 Respondenten (80%) zijn het hiermee oneens, en 5 (11,1%) zijn het met deze stelling eens. Vier therapeuten hebben bij deze stelling geen keuze gemaakt tussen eens of oneens.
Argumenten om het met deze stelling oneens te zijn, zijn o.a. dat ieders identiteit niet verloren gaat, omdat de verschillen tussen iedere therapievorm zullen blijven bestaan, zoals dat nu ook het geval is. Eenieder kan en draagt de verantwoordelijkheid om dat zelf bewaken. Ook wordt aangegeven dat de nu samenwerkende therapievormen prima met elkaar kunnen samenwerken. Een respondent geeft aan dat we terecht gedwongen worden om ons te profileren, en om dus duidelijk te maken waar de verschillen tussen de therapievormen liggen. Velen geven aan dat het onze identiteit juist kan versterken.
Twijfel bestaat er om verschillende redenen. Volgens een therapeut verliest PMT misschien een stuk eigenheid, omdat bv. in Engeland PMT en danstherapie niet als zelfstandige vorm bestaan. Echter, mits deze verschillen goed omschreven worden, zoals de verschillen tussen de andere therapievormen, is samenwerking goed mogelijk.
Een ander geeft aan ambivalente gevoelens te hebben m.b.t. het idee dat er misschien een vaktherapeut kan ontstaan die werkt met verschillende specialisaties. Anderzijds geeft zij aan dat je als groep sterker in de behandeling staat.
Twee therapeuten die het met deze stelling eens zijn, geven dezelfde reden als bij bovenstaande stelling aan: bij creatieve therapie wordt t.o.v. psychomotorische therapie geput uit een ‘kunstzinnige’ bron, en CT kan zichzelf goed profileren. Een PMT-er geeft aan dat er te grote verschillen tussen CT en PMT bestaan. Zij geeft aan dat men zich door de benoeming vaktherapie het medium, het non-verbale, af laat pakken, waardoor andere beroepsgroepen als bv. psychologen er als het ware vandoor gaan met non-verbale technieken. En zo ontstaat de angst dat vaktherapeuten een soort veredelde activiteitenbegeleiders worden. Daarbij komt vooral de onvrede over de term vaktherapie naar voren. Nog een ander geeft aan dat er nog meer aangegeven moet worden wat de verschillen zijn en waarom gekozen moet worden voor bepaald onderdeel.
5. PMT en CT gaan samenwerken onder de naam vaktherapeuten. Wat vind je van deze samenwerkingsvorm? Heb je er vertrouwen in, waarom wel/ niet?
35 Respondenten hebben vertrouwen in de samenwerking tussen PMT en CT onder de naam vaktherapeuten. Daarentegen hebben 5 therapeuten weinig vertrouwen in de samenwerking, en 5 andere therapeuten gaven geen duidelijke keuze weer of hebben de vraag niet ingevuld.
Therapeuten die vertrouwen hebben in de samenwerking geven daar verschillende redenen voor; een grotere bundeling van kennis en kracht, CT-ers kunnen veel van PMT-ers leren, omdat zij verder zijn in de ontwikkeling en profilering van hun vak. Verschillende therapeuten geven aan dat een zodanige samenwerking op instellingsniveau al bestaat, welke als positief ervaren wordt.
Therapeuten die weinig vertrouwen in de samenwerking hebben, spreken vooral over de verschillen tussen CT en PMT. Volgens een PMT-er begint de wetenschappelijke fundering van PMT te komen, terwijl dit bij CT nog moet starten. Zij geeft aan een beetje bang te zijn dat het wetenschappelijke niveau van PMT door samenwerking met CT naar beneden wordt gehaald. Verschillende therapeuten geven het verschil in opleidingsniveau, inhoud en functiewaardering aan, waardoor angst voor devaluering ontstaat.
Andere meningen zijn dat er geen basis voor deze samenwerking aanwezig is, en dat er, naar het schijnt, op veel werkplekken al jaren een concurrentiestrijd aanwezig is tussen CT-ers en PMT-ers.
Een therapeut geeft aan dat de pogingen tot samenwerking al zoveel jaren duren, en deze samenwerking wederzijds niet spontaan is.
Veel therapeuten die wel aangeven vertrouwen in de samenwerking te hebben, geven daarnaast nog een kanttekening aan. Zo is men wat huiverig voor minder onderscheid tussen de beroepsgroepen. Belangrijk is het om de kwaliteit van alle partijen te bewaken, zowel het wetenschappelijke gebied als de klinische praktijk. Volgens één therapeut is het uiteindelijke doel een perfecte samenwerking in verschillende vakgebieden onder de naam psychotherapie, samen met de psychotherapeuten. Een eerste stap daarbij is samenwerking tussen de therapeuten die het meeste met elkaar gemeen hebben; de PMT-ers en CT-ers. Een andere kanttekening die door een therapeut geplaatst wordt geeft aan dat door de samenwerking een universitaire studie van een PMT-er op gelijk niveau met iemand op HBO-niveau komt.
Tevens wordt aangegeven dat het belangrijk is dat er aan eenieder ruimte en tijd gegeven wordt om aan elkaar te wennen. Zo wordt er op studiedagen op dit moment enige weerstand geproefd aan de zijde van PMT. Een danstherapeute geeft tot slot aan dat het wel belangrijk is om meer aandacht voor ieders vakspecifieke aanpak te hebben.
Einde deel 1.
