Gast auteur PMT Info Site
Psychomotorische therapie beoogt het beste waar we op kunnen hopen
Deel 1
Peter van de Vliet
De tekst is gebaseerd op de lezing van Peter van de Vliet tijdens de studietweedaagse van de NVPMT, november, 2004.

Peter van de Vliet tijdens zijn lezing
Psychomotorische therapie bestaat in Vlaanderen ongeveer 40 jaar. Onder impuls van prof. Pierloot, dhr. Paul Bouvry en prof. Van Coppenolle werd in de voornaamste psychiatische ziekenhuizen in Vlaanderen vanaf medio 1960 getracht het ‘bewegen’ op te nemen in het therapie-pakket van de psychiatrische ziekenhuizen. Naarmate de invalshoek geleidelijk aan verschoof van het bewegen op zich naar hoe mensen bewegen in relatie tot de omgeving en hoe zij beweging gebruiken in hun activiteiten, opdrachten en verantwoordelijkheden werd de benadering steeds systematischer en meer onderbouwd. Toch waarschuwt Simons (1988) de Vlaamse collega’s dat psychomotorische therapie meer is dan ‘bewegen alleen’.
“Op het Symposium Psychomotorische Therapie in Kortenberg in november 1985 werd de Vlaamse Vereniging als één van de belangrijkste krachten in de evolutie van de psychomotorische therapie in Vlaanderen gezien. Binnen de hoger geschetste climax, nl. de groei van de vereniging (i.c. uitbreiding naar doelgroepen en openstelling naar collega’s ‘met een minder doorgedreven opleiding’) en van het tijdschrift, het ruimer wordende werkterrein, doet zich toch ook een soort van anticlimax voor binnen de psychomotorische therapie. Vooreerst was en is er de veelheid aan therapeutische technieken – met of zonder theoretische achtergrond – die kritiekloos overgenomen werden door de therapeuten in het werkveld, therapeuten die op zoek waren om zichzelf te profileren. Daarnaast was er de bij deze rage horende ‘afkeer’ voor wetenschappelijk onderzoek en het aantonen van de klinische relevantie en therapieresultaten. Dit heeft er toe geleid dat de eigen identiteit van de psychomotorische therapie sterk vervaagd is. In heel wat instellingen heeft dit er toe geleid dat psychomotorische therapie een vorm van ‘bezigheidstherapie’ aan het worden is of geworden is, waarmee vaak de gedachte gepaard gaat van ‘baat het niet, dan schaadt het niet’. Met de samenvoeging tot een overkoepelend tijdschrift (i.c. fusie Tijdschrift Vlaamse Vereniging Psychomotorische Therapeuten en Bewegen & Hulpverlening, red), dat tevens ruimer georiënteerd is dan de psychomotorische therapie alleen, wordt er naar gestreefd enerzijds de climax te kunnen verder laten lopen en anderzijds de anticlimax een halt te kunnen toezeggen. ... Om in een metafoor te spreken, het wordt tijd dat de psychomotorische therapie de kinderperiode ontgroeit, de kinderziekten achter zich laat, de adolescentieproblematiek doorgemaakt heeft, en nu de eigen identiteit begint uit te bouwen” (Simons, 1988, pp. 90-91).
In deze bijdrage wordt even stilgestaan bij het ‘actuele’ karakter van deze uitspraak van collega Simons in 1988.
Psychomotorische therapie kan gezien worden als een behandelmethode die via de motoriek, opgevast als een aspect van het psychisch functioneren, een veranderen van dit psychisch functioneren nastreeft. Door expliciet voor het woord ‘psychomotorische therapie’ te kiezen, wordt een onderscheid gemaakt met andere vormen van ‘begeleiding’ (Probst, 2003). Het gaat om een systematische interventie, gericht op een veranderingsproces gerelateerd aan de problematiek van de patiënt. Volgens Probst (2003) impliceert dit dat aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan: er moet een verwijzer zijn, er wordt een bijdrage geleverd in het diagnostische proces, er worden doelstellingen geformuleerd waarvan het nagestreefde doel vooraf vaststaat. Meer en meer dient de therapeutische werkwijze - op een bij voorkeur wetenschappelijke wijze – onderbouwd en gemotiveerd te worden. Dit gebeurt onder meer door een beoordeling van de kwaliteit en de effectiviteit van de aangeboden interventie (de zogenaamde “evidence-based” benadering).
Er is dus inderdaad meer nodig dan het louter aanbieden van sport en spel, fitness en dans, relaxatie en andere bewegingsgerelateerde activiteiten. Wie vandaag zijn/haar interventiemethode niet omstandig kan motiveren zal in de toekomst nog slechts een plaatsje bemachtigen in de rubriek ‘begeleiding’.
Gelukkig is een overgrote meerderheid van de collega’s in het werkveld van deze visie overtuigd. Toch blijft het desondanks een vreemde vaststelling dat psychomotorische therapie nog steeds geassocieerd wordt met ‘een beetje sporten’.
“Wie schrijft die blijft”
Onze Nederlandse collega de Lange poneerde de stelling dat dit toch in zekere mate onze eigen fout is. “Wie schrijft die blijft”, stelde hij op de thema-avond die de VVPMT in het voorjaar 2004 organiseerde (Zoersel, 13 januari 2004). Er wordt slechts sporadisch over PMT gerapporteerd, en dit zowel in de nederlandstalige als in de internationale literatuur. Bovendien moeten wij niet alleen onze aandacht richten op de eigen vakliteratuur, die door collega’s gelezen wordt, maar moet de markt van de medische en psychologische tijdschriften opgezocht worden. Het blijft ons inderdaad verbazen dat we alleen een referentie vinden naar Leyssen (2001) wanneer het gaat over lichaamsgerichte interventies in de psychotherapeutische hulpverlening. Zonder afbreuk te willen doen aan de verdiensten van Leyssen – een klinisch psychologe en psychotherapeute – stellen wij de vraag of wij dan zelf geen specialisten ter zake hebben ? Maakt U die bedenking met mij ?Vermits we toch (bijna) allemaal een plaats hebben binnen een multidisciplinair behandelteam is het uitschrijven van onze methoden en technieken, het rapporteren van onze resultaten en gevalsstudies samen met collega’s uit andere vakgebieden volgens de Lange (2004) ‘de’ aangewezen methode om er voor te zorgen dat onze eigen expertise kenbaar gemaakt wordt aan collega’s.
Faulkner en Biddle (2001) vroegen aan psychiaters en psychologen wie in de psychiatrische hulpverlening momenteel de toepassing van ‘exercise’ en ‘physical activity’(1) als therapeutische interventietechniek promoot. Het antwoord is ontnuchterend :
“Although most participants held favourable attitudes regarding exercise, this was related more to exercise being seen as a positive lifestyle activity that is worth encouraging, rather than exercise being recommended as an adjunctive treatment for mental health problems.”
(Faulkner & Biddle, 2001, p. 433)
Tegenstand of onwetendheid ? In alle geval is er een zekere terughoudendheid merkbaar vanwege collega’s hulpverleners. Probst (2003) zet de argumenten even op een rijtje : (1) onduidelijkheid – onwetendheid ? – over de toepassingsmodaliteiten; (2) voorbehoud bij de ervaren ‘eenvoud’ van een non-verbale interventie; (3) een dichotomisering van lichaam en geest, daar waar een bewegingsgerelateerde interventie een holistische benadering nastreeft; en (4) het – in hun ogen – ‘alternatieve’ karakter van sport en bewegen als therapeutisch middel dat niet past binnen klassieke therapeutische denkkaders. Volgens Faulkner en Biddle (2001) rest ons ook hier maar één remedie :
“Although further research is required to examine the relationship between exercise and mental health, consideration must also be given to how such research should be disseminated to mental health professionals.” (Faulkner & Biddle, 2001, p. 433).
Schrijven dus ! Samen met velen onder U zijn wij er van overtuigd dat we zinvol werk doen en een wezenlijke bijdrage hebben in de revalidatie van de patiënten die ons toevertrouwd worden. Langzaam maar zeker wordt hiertoe de nodige wetenschappelijke evidentie aangedragen, door middel van vergelijkende studies (i.c. PMT versus andere interventies, o.a. Bosscher, 1996), door middel van wetenschappelijk onderbouwde gevalsstudies (o.a. Van de Vliet, 2002), door middel van de evaluatie van multidiscplinaire behandelingen met een specifieke PMT-inbreng (o.a. Knapen, 2003; Probst, 1997), door middel van een eerste aanzet tot ‘causale analyse’ (d.i. “is er een oorzakelijk verband tussen vb. het aanbieden van bewegingsgerelateerde activiteiten en de reductie van angst, spanning of depressie, o.a. Mutrie, 2000). Deze wetenschappelijke evidentie die onontbeerlijk is om onze therapeutische benadering te ondersteunen (Probst & Van de Vliet, 2003).
Het aanleveren van wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van een interventie die bijna per definitie ingebed is in een multidisciplinaire aanpak, is echter geen evidentie. Het is dus ook niet aangewezen ‘te wachten’ tot deze wetenschappelijke en klinische evidentie aangedragen kan worden. Tegen die tijd is het kalf al lang verdronken. Rekening houdende met de huidige ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg is het aangewezen veel sneller te reageren.
Volgende keer over het psychomotorisch denkkader (januari 2005).
Referenties
Bosscher, R.J. (1996). Over de effectiviteit van runningtherapie bij depressie. Bewegen & Hulpverlening, 13, 246-258.
de Lange, J. (2004). Beeldvorming over de PMT in niet-PMT-specifieke vaktijdschriften in de Geestelijke Gezondheidszorg. Lezing voor de Vlaamse Vereniging van Psychomotorisch Therapeuten, vzw. Zoersel, 13 januari 2004.
Faulkner, G., & Biddle, S.J.H. (2001). Exercise and mental health: It’s just not psychology! Journal of Sport Sciences, 19, 433-444.
Knapen, J. (2003). Physical fitness and physical self-concept in non-psychotic psychiatric patients: Comparison of the improvements following two different psychomotor therapy programs. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.
Leyssen, M. (2001). Lichaamsgerichte interventies in psychotherapeutische hulpverlening. Waardevol en ethisch verantwoord ? Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 56, 195-217.
Mutrie, N. (2000). The relationship between physical activity and clinically defined depression. In S.J.H. Biddle, K.R. Fox, & S.H. Boutcher (Eds.), Physical activity and psychological well-being (pp. 46-62). London: Routledge.
Probst, M. (1997). Body exeperience in eating disorders. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.
Probst, M. (2003). De psychomotorische therapie bij adolescenten en volwassenen onder de loep. In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 2003 (pp. 27-65). Leuven: Acco.
Probst, M., & Van de Vliet, P. (2003). La thérapie psychomotrice appliquée aux patients psychiatriques adultes dans une perspective flamande. European Bulletin of Adapted Physical Activity, 2, 2. (beschikbaar via : http://www.bulletin-apa.com).
Simons, J. (1988). Gast-redactioneel. Bewegen en Hulpverlening, 2, 90-91.
Van Coppenolle, H. (1978). Algemene grondslagen van psychomotorische therapie voor psychisch gestoorden. Leuven: Acco.
Van de Vliet, P. (2002). The physical self in clinically depressed patients: Assessment of the exercise and self-esteem model in clinical settings. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.
Van de Vliet, P., Knapen, J., & Van Coppenolle, H. (1999). Zelfwaardering en fysieke competentiebeleving. Domein van de psychomotorisch therapeut ? In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 1999 (pp. 37-48). Leuven: Acco.
Van de Vliet, P., & Probst, M. (2004). Er is niets zo praktisch als een goede theorie. In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 2004 (pp.31-44). Leuven: Acco.
Van Wonterghem, G. (1998). Kwaliteit van psychomotorische therapie. In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 1998 (pp. 11-35). Leuven: Acco.
Van Wonterghem, G. (2001). Kwaliteit van psychomotorische therapie. In M. Probst, & R.J. Bosscher (Red.), Ontwikkelingen in de psychomotorische therapie (pp. 17-35). Zeist: Cure & Care Publishers.
Voetnoot
1. Het blijft altijd moeilijk op de dergelijke termen op gepaste wijze naar het Nederlands te vertalen zonder afbreuk te willen doen aan de lading. Uit persoonlijke gesprekken met de auteurs leid ik af dat deze begrippen gezien moeten worden als ‘sport en bewegingsactiviteiten’ in de context waarin wij ze vandaag als psychomotorisch therapeut implementeren in de praktijk.
Peter VAN DE VLIET, Ph.D., P.T.
Doctor in de Motorische Revalidatie en Kinesitherapie
Gespecialiseerde in de Psychomotorische Therapie en Adapted Physical Activity
Doctor-Assistent Departement Revalidatiewetenschappen
Faculteit Bewegings-en Revalidatiewetenschappen
Katholieke Universiteit Leuven
Bestuurslid Vlaamse Vereniging van Psychomotorisch Therapeuten, VVPMT
Foto: Cor Niks
