Gast auteur PMT Info Site

januari 2005




Psychomotorische therapie beoogt het beste waar we op kunnen hopen

Deel 2 (slot).


Peter van de Vliet


De tekst is gebaseerd op de lezing van Peter van de Vliet tijdens de studietweedaagse van de NVPMT, november, 2004.

Het psychomotorische denkkader
Van Wonterghem (1998, 2001) is al jarenlang pleitbezorger voor “integrale kwaliteitszorg” in de zorgverlening in het algemeen en in de psychomotorische therapie in het bijzonder. Hij stelt dat “... het geen twijfel lijdt dat psychomotorisch therapeuten alles in het werk hebben gesteld om in het concrete werkveld zelf aan goede hulpverlening te doen. Niettemin wordt steeds vaker de vraag gehoord of hulpverleners in de gezondheids-en welzijnsvoorzieningen een kwalitatief goede zorg afleveren.” (Van Wonterghem, 2001, p. 17). Moet er getwijfeld worden aan de deugdelijkheid van bepaalde methodes ? Dienen bepaalde werkwijzen ter discussie gesteld te worden ? Het spreekt voor zich dat dit prangende vragen zijn waarbij de ‘integriteit’ van elke zichzelf respecterende collega in vraag gesteld wordt.
Volgens Van Wonterghem (2001) zijn er twee mogelijke reacties : (1) men gaat in het defensief, vanuit de overtuiging dat wetenschappelijk gefundeerd, gestructureerd en gemotiveerd ‘zijn best doen’ voldoende moet zijn voor kwalitatief goed werk; of (2) men verwerpt theorieën en technieken en wijst vooral op het belang van de inzet van de eigen persoonlijkheid in de therapeutische relatie met de patiënt. Ongeacht de reactie is het echter duidelijk dat wat we doen op een transparante wijze ten overstaan van zowel de patiënten als de collega’s uit andere disciplines gelegitimeerd dient te worden.
Het antwoord of PMT voldoet aan dit criterium van ‘kwaliteitszorg’ is ons insziens ingebed in de definitie. Psychomotorische therapie wordt nog steeds gedefinieerd als “een behandelingsmethode die de lichamelijkheid en het bewegen als aanknopingspunt van haar benadering neemt, waarbij men – na eerst een psychomotorisch onderzoek uitgevoerd te hebben – op planmatige wijze en indien mogelijk in samenspraak met de patiënt, concreet geformuleerde doelstellingen poogt te realiseren die relevant zijn voor de problemen waarvoor de patiënt hulp nodig heeft.” (Van Coppenolle, 1978). Essentieel in deze definitie is in de context van kwaliteitszorg de ‘planmatige werkwijze’. Probst (2003) noemt dit het ‘psychomotorische denkkader’ waarin de interventie plaats vindt. Het is “de sturing van het hulpverlenend handelen op basis van aan hulpverleningstheorieën ontleende referentiekaders, therapeutische oriëntaties, therapeutische strategieën en interventies” (Probst, 2003, p. 46). Omwille van de multidisciplinaire inbedding van PMT, wordt dit psychomotorisch denkkader mede bepaald door één of meerdere psychologische of psychotherapeutische referentiekaders.
Meer nog dan de overtuiging dat de ‘effectiviteit’ van psychomotorische therapie aangetoond dient te worden door middel van het noodzakelijke wetenschappelijke onderzoek, is het aangewezen dat er meer artikels verschijnen die de link leggen tussen de psychomotorische therapie en het denkkader waarin geopereerd wordt. Door de ‘aanverwantschap’ met bepaalde meer psychologisch of psychotherapeutisch georiënteerde interventies (de eerder aangehaalde verwijzing naar Leyssen is hiervan een goed voorbeeld), is het niet zelden aangewezen in die hoek een kijkje te gaan nemen op zoek naar een ‘onderbouwdheid’ van de eigen interventie.
Wie als psychomotorisch therapeut op zoek gaat naar vakliteratuur om zijn/haar eigen werkwijze te evaluaren/optimaliseren heeft vast willen merken dat deze zoektocht niet eenvoudig is als men zich oriënteert op publicaties in het eigen domein. De schreeuw om een eigen vaktijdschrift is in Vlaanderen en Nederland groot (de Lange, 2004). Als we echter vakoverschrijdend gaan kijken, zijn er wel een aantal zeer goede informatiebronnen consulteerbaar. Alleen beogen zij een extra inspanning van de betrokken collega om (1) deze – niet zelden anderstalige – publicaties te zoeken, te vinden en te lezen, én (2) de vertaling te maken naar het eigen vakdomein. Dit aspect van de kwaliteitszorg verdient onze verder aandacht. Nog al te veel wordt alleen gereflecteerd binnen een ‘vakeigen’ referentiekader.
Wat we hier ten stelligste willen ontkrachten is dat de competentie van collega’s in vraag gesteld wordt. Een psychomotorisch therapeut is een gekwalificeerd academisch geschoold therapeut. Inherent aan deze opleiding is dat hij/zij in staat wordt geacht kritisch te reflecteren over zijn/haar werk, de theoretische concepten die gehanteerd worden en de therapeutische interventies die gepland zijn. Soms is het echter goed dat een therapeut in het werkveld informatie aangereikt wordt waarin hij/zij in de benaderingswijze bevestigd wordt.
Een aantal collega’s hebben al enkele malen een aanzet gegeven tot een dergelijke benadering van aan de psychologie ontleende denkkaders. Een hele reeks bijdragen in de reeks ‘Actuele Themata uit de Psychomotorische Therapie’ (Red. Simons) had dit tot doel. In de recentste jaargang van ‘Actuele Themata uit de Psychomotorische Therapie’ (2004) worden een aantal voorbeelden van deze ontleende denkkaders bekeken en wordt lezer uitgenodigd om de artikels naar dewelke wordt verwezen terug boven te halen voor een meer kritische lectuur (Van de Vliet & Probst, 2004).

“Eigenlijk vertellen we niets nieuws”
Met deze stelling gaven Van de Vliet en collega’s (1999) aan dat psychomotorisch therapeuten in de praktijk meestal goed bezig zijn. Alleen is het soms nodig dat deze houding en werkwijze bekrachtigd wordt. We kunnen het ons immers niet meer permitteren om in de besloten kring van ‘in onschendbaarheid gehulde deskundigheid’ (Van Wonterghem, 2001, p. 17) therapeutisch werk te presteren. Neen, we worden verondersteld onze professionele expertise te verantwoorden.
We kunnen deze stelling alleen maar toejuichen. Het systematisch vertalen van (psychologische/psychotherapeutische) modellen naar de eigenheid van het psychomotorische werkveld maakt dat we bij collega’s uit andere disciplines meer erkenning afdwingen en bezorgen de psychomotorische therapie een nog meer gefundeerde en geïndividualiseerde uitbouw. Het komt er min of meer op neer dat we stellen dat we ‘niet zo maar wat gaan sporten’, maar dat we een vraaggestuurde therapeutische interventie kunnen aanbieden.
Probst (2003) somt de mogelijkheden en beperkingen van ‘moderne’ psychomotorische therapie op. Hij sluit zijn bijdrage af met de bedenking of psychomotorische therapie een vorm van psychotherapie is. Probst erkent minimaal een zeer sterke congruentie tussen beide werkvelden. Wij wensen de gekwalificeerde en hardwerkende collega gerust te stellen. Congruentie hoeft dit niet te betekenen dat er afbreuk gedaan wordt aan de eigenheid van psychomotorische therapie, nl. een behandelmethode vertrekkende vanuit een bewegings-en lichamelijkheidsgerelateerd referentiekader. Faulkner en Biddle (2001), naar wie hier eerder verwezen werd, stellen immers dat er – behoudens de LO’er en de kinesitherapeut (zij noemen het ‘exercise therapists’) – geen enkele beroepscategorie in de geestelijke gezondheidszorg is die een dergelijke professionele expertise kan inbrengen om psychomotorische therapie (zij noemen het ‘exercise therapy’) succesvol te implementeren.
Stilstaan is echter achteruitgaan, en daarom is het aangewezen dat verschillende van de hier voorgestelde psychologische modellen in de nabije toekomst ook hun ingang vinden in de opleiding(en) tot psychomotorisch therapeut.

Wij hopen dat de reflecties die hier gemaakt werden er toe leiden dat de geïnteresseerde lezer de originele artikels én de publicaties uit andere gerelateerde therapeutische disciplines ter hand nemen en hun veldwerk kritisch evalueren.
Om tot de vaststelling te komen dat psychomotorische therapie het beste beoogt dat U kan hopen ? Wij hopen het van harte.




* * *


Referenties
Bosscher, R.J. (1996). Over de effectiviteit van runningtherapie bij depressie. Bewegen & Hulpverlening, 13, 246-258.
de Lange, J. (2004). Beeldvorming over de PMT in niet-PMT-specifieke vaktijdschriften in de Geestelijke Gezondheidszorg. Lezing voor de Vlaamse Vereniging van Psychomotorisch Therapeuten, vzw. Zoersel, 13 januari 2004.
Faulkner, G., & Biddle, S.J.H. (2001). Exercise and mental health: It’s just not psychology! Journal of Sport Sciences, 19, 433-444.
Knapen, J. (2003). Physical fitness and physical self-concept in non-psychotic psychiatric patients: Comparison of the improvements following two different psychomotor therapy programs. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.
Leyssen, M. (2001). Lichaamsgerichte interventies in psychotherapeutische hulpverlening. Waardevol en ethisch verantwoord ? Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 56, 195-217.
Mutrie, N. (2000). The relationship between physical activity and clinically defined depression. In S.J.H. Biddle, K.R. Fox, & S.H. Boutcher (Eds.), Physical activity and psychological well-being (pp. 46-62). London: Routledge.
Probst, M. (1997). Body exeperience in eating disorders. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.
Probst, M. (2003). De psychomotorische therapie bij adolescenten en volwassenen onder de loep. In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 2003 (pp. 27-65). Leuven: Acco.
Probst, M., & Van de Vliet, P. (2003). La thérapie psychomotrice appliquée aux patients psychiatriques adultes dans une perspective flamande. European Bulletin of Adapted Physical Activity, 2, 2. (beschikbaar via : http://www.bulletin-apa.com).
Simons, J. (1988). Gast-redactioneel. Bewegen en Hulpverlening, 2, 90-91.
Van Coppenolle, H. (1978). Algemene grondslagen van psychomotorische therapie voor psychisch gestoorden. Leuven: Acco.
Van de Vliet, P. (2002). The physical self in clinically depressed patients: Assessment of the exercise and self-esteem model in clinical settings. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.
Van de Vliet, P., Knapen, J., & Van Coppenolle, H. (1999). Zelfwaardering en fysieke competentiebeleving. Domein van de psychomotorisch therapeut ? In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 1999 (pp. 37-48). Leuven: Acco.
Van de Vliet, P., & Probst, M. (2004). Er is niets zo praktisch als een goede theorie. In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 2004 (pp.31-44). Leuven: Acco.
Van Wonterghem, G. (1998). Kwaliteit van psychomotorische therapie. In J. Simons (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie, Jaarboek 1998 (pp. 11-35). Leuven: Acco.
Van Wonterghem, G. (2001). Kwaliteit van psychomotorische therapie. In M. Probst, & R.J. Bosscher (Red.), Ontwikkelingen in de psychomotorische therapie (pp. 17-35). Zeist: Cure & Care Publishers.

Voetnoot
1. Het blijft altijd moeilijk op de dergelijke termen op gepaste wijze naar het Nederlands te vertalen zonder afbreuk te willen doen aan de lading. Uit persoonlijke gesprekken met de auteurs leid ik af dat deze begrippen gezien moeten worden als ‘sport en bewegingsactiviteiten’ in de context waarin wij ze vandaag als psychomotorisch therapeut implementeren in de praktijk.



Over de auteur:

Peter VAN DE VLIET, Ph.D., P.T.
Doctor in de Motorische Revalidatie en Kinesitherapie
Gespecialiseerde in de Psychomotorische Therapie en Adapted Physical Activity

Doctor-Assistent Departement Revalidatiewetenschappen
Faculteit Bewegings-en Revalidatiewetenschappen
Katholieke Universiteit Leuven
Bestuurslid Vlaamse Vereniging van Psychomotorisch Therapeuten, VVPMT

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie