Scripties
FIETSPROGRAMMA BIJ DEPRESSIE
Auteur: Iriah van Wijk
Vorm: scriptie
INLEIDING
In het kader van een door de afdeling psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG) uit te voeren onderzoek naar de invloed van een verbeterd aëroob uithoudingsvermogen op depressie is in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen een pilotstudie uitgevoerd. Deze studie heeft als doelstelling het ontwikkelen en beschrijven van een protocol voor het verbeteren van het aërobe uithoudingsvermogen op een fiets-ergometer, waarbij dit protocol zodanig wordt vormgegeven dat het toegepast kan worden in zowel het vervolgonderzoek als in de psychomotorische praktijk. Daarnaast heeft er een literatuurstudie plaatsgevonden en is het protocol bij drie proefpersonen getest volgens een N=1-design.
ONTWERP
Bij het ontwerp van het programma is rekening gehouden met benvloedende factoren, trainingsprincipes en gestelde eisen en beperkingen vanuit de instelling. In het vervolgonderzoek kan ten aanzien van het trainingsprogramma rekening worden gehouden met de volgende in de literatuur gevonden hypothesen en factoren (zie running therapie) met betrekking tot het effect van aërobe therapie: competentiehypothese, sociale-interactie-hypothese, placebo-effect, geneesmiddelengebruik, neveneffecten en tijdstip van oefening. Niet uitgesloten kunnen worden: aminehypothese, endorfinenhypothese, relaxatiehypothese, afleidingshypothese en de psychoanalytische hypothese. Er wordt individueel gefietst, de sociale interactie tussen trainer en deelnemer wordt zoveel mogelijk beperkt, het bevorderen van competentieverwachtingen wordt vermeden en het doel van het programma is naar de deelnemers toe conditieverbetering zijn. Belangrijke beperkingen tijdens het N=1-onderzoek, gesteld door de instelling, zijn de proefopstelling waarbij de trainer direct naast de deelnemer zit en het feit dat de deelnemers therapeutische gesprekscontacten hebben naast het fietsprogramma.
PROGRAMMA
Het trainingsprogramma bestaat uit fietsen op een fietsergometer gedurende twaalf weken. Er wordt drie maal per week gedurende 20 minuten getraind bij een hartfrequentie oplopend van 65% in de eerste week tot 80% van de maximale hartfrequentie in de laatste 3 weken. De voor- en nameting bestaan uit de afname van vragenlijsten naar depressie en competentieverwachtingen en de afname van de submaximaaltest van Åstrand. Daarnaast is de submaximaaltest ook in de vierde en achtste week van het trainingsprogramma afgenomen.
RESULTATEN N=1-STUDIE
Deelnemers 1 en 2 hebben de voor hen berekende intensiteit van het programma gevolgd. Hun conditie is verbeterd en de scores op een vragenlijst (BDI) geven aan dat de depressie is verdwenen. Deelnemer 3 is vanaf de zesde week excessief gaan sporten naast het fietsprogramma. Na de achtste week is zijn programma gestopt wegens overtrainingsverschijnselen. Zijn conditie is niet verbeterd en de score op de BDI geeft een verslechtering van de depressie aan.
DISCUSSIE
Het ontwikkelde fietsprogramma lijkt geschikt om het aërobe uithoudingsvermogen te vergroten. Voor een goede interpretatie van de resultaten is het in het vervolgonderzoek noodzakelijk dat er geen verandering in het geneesmiddelengebruik plaatsvindt, dat de proefpersonen geen andere vorm van therapie naast de fietstherapie krijgen en dat interactie zoveel mogelijk wordt vermeden. Aan deze laatste twee voorwaarden kon in de pilotstudie niet worden voldaan, zodat er geen conclusies getrokken kunnen worden ten aanzien van de oorzaak van de veranderingen in depressiviteit. Alertheid op signalen van een beginnende overtraining is noodzakelijk. Enkele uit de literatuur bekende hypothesen met betrekking tot de oorzaak van het effect van aërobe training op depressie kunnen niet of niet volledig worden uitgesloten. Een sluitend bewijs, dat aantoont dat een verbeterd aëroob uithoudingsvermogen zorgt voor een vermindering van depressie, zal in het vervolgonderzoek dan ook niet kunnen worden geleverd.
