Gelezen

oktober 2003
The use of ethical touch in psychotherapy
Gelezen door Mia Leijssen


The use of ethical touch in psychotherapy
M. Hunter & J. Struve 1997
Londen: Thousand Oaks
320 pp


(deze bespreking verscheen eerder in het Tijdschrift voor Psychotherapie, 1999,25,3 en is met toestemming van de auteur in twee delen gepubliceerd op de PMT Info Site)

Deel 2 (slot)

In een volgend hoofdstuk wordt nog concreter ingegaan op aanrakingen in de therapeutische context. De auteurs zijn zeer expliciet over de plaatsen van het lichaam die tijdens therapie niet aangeraakt worden: de genitale zones, billen, borsten bij vrouwen. De auteurs onderscheiden diverse categorieën van aanrakingen, waarbij er een heel continuum van niveaus van fysiek contact in kaart wordt gebracht.
Accidentele aanrakingen gebeuren bijvoorbeeld als de therapeut zijn benen kruist en dan per ongeluk met zijn voet stoot tegen de voet van de cliënt. Hoewel deze aanrakingen zonder betekenis zijn, moet de therapeut toch alert zijn op wat deze bij de cliënt eventueel teweegbrengen. Hij moet ook verbaal laten blijken dat het van zijn kant onbedoeld was, door iets te zeggen in de zin van sorry.
Bij taakgerichte aanrakingen is het fysieke contact niet de bedoeling maar het gevolg van de actie, zoals bijvoorbeeld bij de verpleegster die de polsslag meet en daarbij de arm van de patiënt aanraakt; in therapie kan dit gebeuren wanneer de therapeut bijvoorbeeld een zakdoek aanreikt en hierbij even de hand van de cliënt raakt. Therapeuten die weinig gevoeligheid hebben voor fysiek contact zullen dit amper opmerken, maar voor de cliënt kan deze aanraking wel nazinderen.
Aandachtsaanrakingen zijn functioneel, zoals het geven van een tikje op iemands arm om in een groep aan te duiden wie aan de beurt is. Ook aanrakingen zoals een handdruk bij aankomst of vertrek vallen hieronder. Typisch voor dit soort contact is dat het steeds zeer kortdurend is. Wanneer het dit niet meer is, heeft het een andere betekenis gekregen.
Affectieve aanrakingen zijn een uitdrukking van vriendelijke, hulpvaardige, ondersteunende energie. Zij worden gebruikt om positieve gezindheid uit te drukken; bijvoorbeeld een langere handdruk wanneer iemand een bijzondere prestatie heeft geleverd of een schouderklop wanneer iemand slecht nieuws ontvangt. In therapie kan dit gebaar bedoeld zijn om te laten merken dat men de cliënt waardevol vindt, of om duidelijk te maken `Ik ben er voor jou.', terwijl de cliënt het soms verkeerd kan interpreteren als `Ik wil je vriend of minnaar zijn.' Daarom is het aan te raden dat de therapeut zijn gebaar vergezelt van verbaal commentaar om zijn bedoeling te expliciteren.

Tot de expressieve aanrakingen behoren de uitdrukkingen van dankbaarheid, bijvoorbeeld in de vorm van een omhelzing. Zo'n initiatief kan soms van de cliënt komen, terwijl het ongepast is om in de rol van therapeut de cliënt te omhelzen uit dankbaarheid.


Ook speelse aanrakingen om de ernst van een situatie te breken vallen in deze categorie.
Catharsische aanrakingen faciliteren het loskomen en de expressie van emoties. Vaak wordt daarbij de lichaamszone aangeraakt die verbonden wordt met de opgekropte emotie. Gestructureerde oefeningen waarbij de therapeut bijvoorbeeld agressie bij de cliënt wil faciliteren door lichamelijk contact zijn hiervan een voorbeeld. Maar ook het vriendelijke aanraken van iemand die stoïcijns blijft onder verschrikkelijk nieuws, kan ingehouden emoties losmaken.
Agressieve aanrakingen, zoals iemand een duw geven, zijn meestal impulsief en hebben soms een speelse ondertoon. In therapie moet de therapeut hiermee voorzichtig zijn en steeds het thema duidelijk expliciteren. In elk geval moeten therapeuten aan hun cliënten overbrengen op welke manier agressief fysiek contact in diverse levenssituaties al dan niet adequaat is.
Sensuele aanrakingen zijn bedoeld om de zinnen te plezieren. Omdat ze gemakkelijk leiden tot seksuele interpretaties, is het af te raden dat de therapeut deze gebruikt in therapie. Wel kan de therapeut bijvoorbeeld aan koppels richtlijnen geven hoe de partners elkaar sensueel kunnen aanraken.
Als laatste op het continuüm komen de seksuele aanrakingen. Het is deze categorie die in de geschiedenis van de therapie zeer bepalend is geweest voor het (niet meer) handelen van therapeuten. De auteurs stellen uitdrukkelijk dat seksuele aanrakingen onder geen omstandigheden thuishoren in de therapeutische situatie. Hiermee volgen ze de lijn van de beroepscodes.
Aan de richtlijnen voor gebruik van fysiek contact in therapie besteden de auteurs vervolgens een hoofdstuk waarin ze beklemtonen dat de therapeut niet tot fysiek contact mag overgaan zonder voorafgaande aankondiging en expliciete toestemming van de cliënt. Ze benadrukken ook wanneer fysiek contact niet aangewezen is, zoals in situaties waarin de cliënt geen verhoogde intimiteit kan verdragen. Het wordt ontraden om fysiek contact te gebruiken tijdens of volgend op verbale interacties met een seksuele inhoud. De therapeut is ook verantwoordelijk om het fysieke contact met de cliënt te verbreken als de cliënt tekens van seksuele opwinding vertoont. Speciaal zijn ook de momenten waarin de therapeut zich gedwongen voelt om de cliënt aan te raken. Het gaat dan vaak om situaties waarin de cliënt zeer hongerig is naar fysiek contact of een bijzonder gebaar van de therapeut eist. De auteurs waarschuwen hier dat de therapeut de gevoelens bij de cliënt niet mag sussen door de gevraagde aanrakingen te geven, maar dat deze door de diepte van de pijn en de frustratie moet durven gaan. In dezelfde lijn ligt het advies niet tot fysiek contact over te gaan wanneer dit dient om eigen onbehagen te verminderen, bijvoorbeeld in de positie van getuige bij veel lijden of heftige emoties van de cliënt.
Het tweede deel wordt vervolgd met een hoofdstuk waarin specifieke technieken worden geïllustreerd aan de hand van gevalsstudies en therapievignetten; een hoofdstuk waarin fysiek contact nogmaals concreet uit de doeken wordt gedaan in functie van diverse diëntpopulaties; en een hoofdstuk waarin adviezen worden gegeven voor doorverwijzingen naar lichaamsgerichte therapeuten wanneer de therapeut zichzelf niet competent acht om fysiek contact te gebruiken.
Deel drie is in verhouding veel korter dan de vorige delen en bevat talrijke tips en oefeningen om te gebruiken bij trainingen van therapeuten en om te exploreren hoe een therapeut zich persoonlijk verhoudt met fysiek contact. De auteurs beschrijven ook verschillende signalen die een waarschuwing inhouden dat een therapeut kwetsbaar wordt voor grensoverschrijdingen. De therapeut die een bepaalde cliënt steeds als laatste van de dag plaatst, sessies verlengt, ontmoetingen heeft buiten de therapieruimte, extra aandacht heeft voor zijn kleding bij het ontvangen van bepaalde cliënten, makkelijk commentaren heeft over de fysieke aantrekkelijkheid van cliënten, bepaalde cliënten juist niet in supervisie brengt, troetelnamen gebruikt voor een cliënt, die komt in een gevaarlijke zone.

Persoonlijk vind ik dat de auteurs met dit boek een belangrijke bijdrage leveren om het thema van fysiek contact positief in de aandacht te brengen. Verfrissend is dat zij hierbij nergens in de touchy feeling-sfeer vervallen of een moraliserende toon aanslaan. Zij zijn erin geslaagd om een degelijke wetenschappelijke onderbouwing van hun handelswijze te geven en zij hebben tevens oog voor de condities die vervuld moeten zijn opdat fysiek contact een krachtig en verantwoord therapeutisch instrument kan zijn. Doordat hun beschrijvingen van klinische situaties zeer concreet zijn, krijgt de lezer werkelijk een kijk in een therapiepraktijk, variërend van individuele tot familie- en groepstherapie, met cliënten die vaak diep gekwetst of ernstig gestoord zijn. Hierbij zijn de auteurs niet alleen overtuigend over de werkzaamheid van aanrakingen, maar zijn ze ook inspirerend in de wijze waarop ze met cliënten spreken over de moeilijkheden en de valkuilen die zich hierbij aandienen.
Op basis van mijn eigen klinische ervaring deel ik het uitgangspunt dat het niet aanraken van cliënten of een te grote afstandelijkheid soms een even grote beroepsethische fout is als het onterecht fysiek contact maken of een te grote nabijheid. Het punt van discussie dat therapeuten bezig houdt - ook maatschappelijk een heet hangijzer - situeert zich steeds rond de vraag of een aanraking al dan niet seksueel is. Hierbij kan men uiteraard de afbakening hanteren dat de genitale zones onaanraakbaar zijn.
Toch zou ik persoonlijk meer de klemtoon leggen op wat er zich afspeelt in de hoofden van de mensen die bij de handelingen betrokken zijn. Volgens mij hoeft een therapeut niet steeds op voorhand te kunnen inschatten of zijn aanraking bij de cliënt een seksueel gevoel zal oproepen. Wanneer blijkt dat een aanraking die voor de therapeut geen seksuele betekenis heeft, bij de cliënt juist wel een seksuele connotatie oproept, dan kan dit als bijzonder relevant therapeutisch materiaal worden behandeld. Die beleving van de cliënt kan een verwijzing inhouden naar de kern van zijn problematiek. Het lijkt mij ontherapeutisch wanneer therapeuten de boodschap overbrengen dat er geen seksuele gevoelens mogen gewekt worden in therapie. Het eigene van de therapiesituatie is vooral dat dit niet onopgemerkt en vooral niet onverwoord mag blijven. Het bespreekbaar maken
van alle ervaringen is precies de meerwaarde van therapie.
De grootste valkuil zit volgens mij in de therapeut die zich te weinig bewust is van zijn gevoelens of die zich zijn seksuele verlangens onvoldoende toeëigent. In dat geval kan zelfs met een grote fysieke afstand de blik waarmee de therapeut de cliënt taxeert, een seksuele lading hebben. Als de therapeut zelf niet in contact is met zijn gevoelens, zal hij ontkennen dat zijn begeerte meespeelt in de manier waarop hij de cliënt benadert. In de ervaring van de cliënt sluipt dan verwarring binnen, die in de therapie geen plaats kan krijgen. Aan het andere uiterste kan ik mij voorstellen dat een hulpverlener die zonder eigenbelang of seksuele begeerte fysiek contact maakt met genitale zones van cliënten een positieve bijdrage kan leveren aan het welzijn van deze persoon, zoals de respectvolle handelingen waarmee een verpleegkundige iemands intieme delen kan wassen.
In de psychotherapiecontext zal het evenwel hoogst uitzonderlijk zijn dat dergelijke handelingen aangewezen zijn. In een regelethiek - die overigens het meest dominante aspect uitmaakt van beroepscodes - heeft men behoefte aan duidelijke ge- en verboden en moet men kunnen terugvallen op aanwijsbare gedragingen. Een bestaansethiek echter baseert zich op waarden en morele kwaliteiten. In dit geval zou je kunnen zeggen dat de zelfkennis en de integriteit waarmee de hulpverlener handelt bepalend is voor de kwaliteit van zijn doen en laten. Beide vormen van ethiek sluiten elkaar niet uit; ze kunnen in elkaars verlengde liggen.

Het zal voor de lezer ondertussen al wel duidelijk zijn dat ik dit boek een aanrader vind voor therapeuten die hun gevoeligheid voor het gebruik van fysiek contact in therapie willen aanscherpen en voor opleiders die in hun trainingsprogramma's meer aandacht willen besteden aan de meestal ondergewaardeerde dimensie van de niet-verbale interactie.


Over de auteur

PROF. DR. MIA LEIJSSEN doceert beroeps ethiek voor psychologen aan de Universiteit te Leuven. Zij is coordinator van de gespecialiseerde studie in de cliëntgericht-experiëntiële psychotherapie aan de Universiteit te Leuven. Zij heeft ruime ervaring met individuele psychotherapie en groepstherapie.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie