Gelezen

november 2004
Henk Smeijsters, Handboek Creatieve Therapie, 2003

Tweede, herziene druk.

Jan de Lange


Verscheen eerder in Tijdschrift voor Psychomotorische Therapie, 2004, 3.

Doelgroep, doelstelling en werkwijze van het boek
Het Handboek Creatieve Therapie is bedoeld voor studenten creatieve therapie. Dat maakt dat het boek heel geschikt is voor psychomotorisch therapeuten die nog weinig weten over creatieve therapie. Het Handboek geeft een goed overzicht van de theorie, diagnostiek, indicatiestelling en behandelwijze. 'Het is geen praktijkboek, maar geeft een samenhangend theoretisch kader voor het beroep van creatief therapeut' (Smeijesters, 2003, p.11). De bekende vormen van de creatieve therapie komen aan bod: dramatherapie, beeldende therapie, muziektherapie, dans & bewegingstherapie en tuintherapie. Vanuit een kritisch overzicht van een groot aantal auteurs die op basis van kunstzinnige en/of psychotherapeutische uitgangspunten creatieve middelen therapeutisch inzetten, komt Smeijsters tot een eigen model: het analoge-proces model.
Veel stromingen, auteurs en opvattingen krijgen een plaatsje in de creatieve ark van Smeijsters, onder wie ook Claudia Emck en Piet Van der Klis. Andere bekenden zijn de vertegenwoordigers van bekende psychotherapeutische stromingen zoals Rogers, Perls, Ellis, Abraham. Daarnaast natuurlijk veel auteurs uit de wereld van de creatieve therapie. Om er enkelen te noemen: Herman Smitskamp, Truus Wertheim-Cahen, Gorry Cleven.

Structuur van het boek
Het boek telt vijftien hoofdstukken. De eerste acht hoofdstukken vormen één gedeelte en behandelen de gangbare theorieën waaruit creatieve therapie bedreven wordt.
In de vier hoofdstukken die daarna volgen geeft Smeijsters een eigen verklaring voor de werking van mediumtherapieën. Dit 'grondslagenonderzoek' is geen dagelijkse kost. De laatste drie hoofdstukken geven nuttige informatie over professionalisering, maatschappelijke positie en onderzoek van de creatief therapeuten.

In het eerste deel behandelt Smeijsters diagnostiek (H.2) en indicatiestelling (H7) in de creatieve therapie. Hij verheldert het onderscheid tussen activiteitentherapie, waarin het gaat om begeleiden, en creatieve therapie waarin het behandelen primair staat (H.3). Vervolgens onderscheidt hij vier verschillende werkwijzen op grond van categorieën van behandeldoelstellingen: orthopedagogisch, supportief, re-educatief, reconstructief. De werkwijzen laten zich verder concretiseren in methodische uitgangspunten, werkvormen, therapeutische houding, therapeutische technieken, materialen en materiaaltechnieken. Smeijsters legt dwarsverbanden met de noties van producten en modulen (H. 4).
In hoofdstuk vijf worden verschillende psychotherapeutische stromingen behandeld waarvan creatief therapeuten gebruik maken of waarbinnen het gebruik van creatieve middelen ook een plaats heeft gekregen.
In hoofdstuk zes behandelt Smeijsters opvattingen binnen de kunststromingen over creativiteit en het creatief proces die de creatieve therapie hebben beïnvloedt. 'De creatief therapeut beïnvloedt psychische processen die ertoe leiden dat de cliënt psychisch gezonder wordt. Creatieve therapie heet 'creatief' omdat dans- en bewegingstherapie, beeldende therapie, muziektherapie en dramatherapie plaatsvinden met behulp van aan kunst ontleende expressievormen, in de creatieve therapie aangeduid als media' (Smeijsters, 2003, 111). In hoofdstuk acht tenslotte worden de verschillende vormen van creatieve therapie afzonderlijk behandeld.
Hiermee sluiten we het zeer informatieve eerste deel van het boek af.

Grondslagen van creatieve therapie
De hoofdstukken negen tot en met twaalf zijn echter andere koek. In deze hoofdstukken wil Smeijsters een probleem in de theorievorming oplossen. Die problematiek is de eenzijdigheid van de meeste benaderingen van creatieve therapie. Deze wordt ofwel primair in kunsttermen gevat, waarmee geen aansluiting wordt gevonden bij de psychische klachten en processen, ofwel de psychotherapeutische taal overheerst, en het creatieve werk zelf, het mediumproces raakt ondergeschikt. 'Wie muziektherapie in uitsluitend psychotherapeutische termen beschrijft, moet aantonen hoe deze termen samenhangen met specifiek muzikale processen. Wie omgekeerd muzikale termen gebruikt om psychotherapeutische processen te benomen, moet aantonen dat en hoe het muzikale psychologisch is' (Smeijsters, 2003, 181). Smeijsters lost dit probleem op met zijn analoge-proces theorie. 'Het analoge-procesmodel is bedoeld als een theoretisch model dat verklaart waarom creatieve therapie werkt. Het model verklaart waarom werkvormen in het medium bij cliënten leiden tot intra- en interpsychische veranderingen. Het model is overkoepelend voor de verschillende media en therapeutische stromingen' (Smeijsters, 2003, 263).
In hoofdstuk negen gebeurt dit door uitleg over het verschil tussen werken met het medium, en werken in het medium. Is het eerste het geval kunnen we denken aan een psychotherapeut die een cliënt een tekening laat maken, om daarna al pratend over de tekening de therapie de bedrijven. Een ander voorbeeld van werken met het medium vinden we in de psychomotorisch therapeut die een groepsoefening doet van drie minuten, om daar vervolgens een half uur over te praten. Dan vindt de 'eigenlijke therapie' plaats naar aanleiding van de mediumactiviteit.
Wanneer er sprake is van werken in het medium, voltrekt de therapeutische verandering zich binnen de mediumactiviteit zelf.

Het analoge proces
Smeijsters wil deze werkwijze funderen in een model, haar theoretisch inbedden. Want wat is nu precies de relatie tussen de mediumprocessen en de psychische processen die de therapeut wil beïnvloeden? En met welke begrippen kunnen we die beschrijven? Dat is het onderwerp van hoofdstuk tien, getiteld 'Analogie'.
Smeijsters stelt dat er sprake is van een eenheid van medium en psyche, en dat de relatie tussen die twee niet pas tot stand komt via associaties of verbale reflectie, duiding of interpretatie. Er kan dus in het medium al therapeutisch gewerkt worden. Weliswaar kan datgene wat zich tijdens de mediumactiviteit afspeelt ook op verbaal niveau van betekenis worden voorzien en therapeutisch gehanteerd, maar dit is niet (altijd) noodzakelijk en ook niet altijd mogelijk of wenselijk.
Met analogie bedoeld Smeijsters twee dingen te zeggen. Allereerst dat de genoemde psychische processen analoog optreden aan mediumprocessen. Ten tweede dat zich in de fictieve situatie van de creatieve therapie, echte gevoelens optreden, analoog aan échte situaties' buiten de therapeutische situatie. Binnen mediumactiviteiten zoals bijvoorbeeld drummen of tekenen, worden psychische processen, c.q gevoelens opgeroepen die analoog zijn aan psychische processen die zich in de alledaagse werkelijkheid van de cliënt voordoen. Op grond van die (dubbele) analogie kan er behandeld worden.
Dit model, dat ik hier zeer vereenvoudigd weergeef, baseert Smeijsters primair op de ontwikkelingspsychologie van Daniel Stern. Hij probeert de ontwikkelingsfasen die Stern onderscheidt, te koppelen aan stoornissen, en de kenmerken hiervan te koppelen aan mediumspecifieke processen. Het begrip vitality affect is een kernbegrip. Hiermee doelt Stern op gevoelens zoals we die beleven tijdens een handeling, en niet de gevoelens die we hebben als we achteraf terugblikken op de handeling.
Daarnaast laat hij met voorbeelden zien hoe creatief therapeuten meer of minder expliciet vanuit deze notie werken. Het analoge proces model is in eerste instantie ontwikkeld en in gebruik genomen op het gebied van de muziektherapie, het thuisland van Smeijsters. In dit handboek wordt de bruikbaarheid van het model ook gedemonstreerd voor de andere vormen van creatieve therapie. Ik zou graag dieper ingaan op nut en noodzaak van de analoge proces theorie in verband met de psychomotorische therapie, maar kan dit binnen de beschikbare ruimte niet doen. Ik vind het een boeiend onderwerp en het raakt aan discussies in de PMT. Of het betoog van Smeijsters voor studenten te volgen is, vraag ik me af. Ik vond het zelf nogal lastig.

Creatieve therapie en psychomotorische therapie
Om de verhouding tot de psychomotorische therapie aan te geven, verwijst Smeijsters naar een artikel van danstherapeute Wauters: 'De huidige dans- en bewegingstherapie vindt haar indicatiegebied echter vooral bij psychische stoornissen waarbij de eenheid van beweging en gevoel voorop staat. Uit dit laatste volgt, aldus Wauters (1998), het verschil in indicatiestelling voor psychomotorische therapie en danstherapie. De psychomotorische therapie werkt volgens haar vanuit een neurologisch perspektief. Wauters acht psychomotorische therapie geïndiceerd wanneer een meer direct op psychomotorische deelstoornissen gerichte gedragstherapeutische aanpak gewenst is' (Smeijsters, 2003, p.223). Wie het artikel van Wauters leest zal verbaasd zijn over de bronnen waarop zij zich baseert. Zij verwijst naar slechts één publicatie, de congresbundel 'Bewegen in Beeld' (Simons & Konsten, 1996). Ik vind dat nogal mager, te mager (De Lange, PMT Info Site, 1-10-2000). Baseerde Smeijsters zich in de eerste druk van zijn handboek nog helemaal op Wauters' inzichten, inmiddels heeft hij zelf ook door dat hiermee de psychomotorisch therapeuten geen recht gedaan wordt. Hij heeft de moeite genomen Claudia Emck te laten verwoorden wat psychomotorische therapie behelst. Dat is sportief.
Uit het handboek Creatieve Therapie blijkt verder dat in alle media van de creatief therapeuten zoiets als lichaamsgerichte interventies bestaan. Helemaal vreemd is dat niet, als we bedenken dat de mensen om iets te kunnen doen, moeten bewegen en daarbij altijd lichamelijk zijn. De vraag is dus of binnen een toekomstige federatie vaktherapie de lichaamsgerichte therapie het domein van de psychomotorisch therapeuten is. Of dat het hier niet om een specifiek domein gaat, maar om een oriëntatie binnen de werkwijze die ook andere beroepsgroepen kunnen innemen, zoals bijvoorbeeld muziektherapeuten of psychologen.

Besluit
Ik heb het boek met plezier gelezen, al werd ik wel eens moe van de vele stromingen en auteurs die allemaal aan het woord gelaten worden. Een mens wil niet alles weten. Een korter boek dwingt de auteur ook tot scherper formuleren en kritischer kiezen van referenties. Daarmee zou het boek lezersvriendelijker worden.
Prettig is het dat Smeijsters in het begin van zijn boek een begripsmatige structuur opbouwt die de hoofdstukken ordening verleent en die ook terugkomt bij de bespreking al die auteurs en stromingen. Dit voorkomt dat lezer kopje onder gaat in de overvloed aan informatie. Zo'n structuur mis ik in de literatuur over psychomotorische therapie nog wel eens: de PMT heeft geen handboek, maar op zijn best een verzameling lezenswaardige artikelen van diverse auteurs die allemaal weer eigen ordeningen aanbrengen. Ik schreef het al eerder. Een handboek PMT, ach, als dat eens kon…


Delhaas, H. (1999) Vaktherapeuten: Wat kan en wat moet? Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid, no4. 365-368.
Lange, J. de (2000). Als woorden tekort schieten. PMT Info Site www.pmtinfosite.nl columns, 1-10-2000.
Simons, J. & L. Konsten. (1996). Psychomotorische therapie: Bewegen in beeld. Leuven: Acco.
Smeijsters, H. (2000) Handboek Creatieve Therapie. Bussum: Couthino.
Smeijsters, H. (2003) Handboek Creatieve Therapie (tweede druk). Bussum: Couthino.
Wauters, A. (1998) Creatieve therapie dans en psychomotorische therapie ontrafeld. De verschillen tussen twee vaktherapieën die elkaar schijnbaar kunnen vervangen. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, no.1, 8-11.

Zoeken

    Zoek

Feedback?   ons!

Volg ons via Follow PMT Info Site on Twitter

Nieuw op de site:

  • 02/02/12: oefenvormen: Onder het thema samenwerking is de oefening Spinnenweb geplaatst. Door Iriah.
  • 30/01/12: activiteiten: Zaterdag 31 maart: Masterclass Mindfulness, te Deventer, als therapeut verbinden met je denken, voelen en intuïtie.

Design/automatisering

Deze site en al de achterliggende automatisering is gemaakt door Specialist in webdesign, automatisering en cognitieve ergonomie