Gelezen
|
'Antipsychiatrie 'in Nederland, 1965-1985 Jan de Lange Gemma Blok Baas in eigen Brein 'Antipsychiatrie' in Nederland, 1965-1985. 2004. Amsterdam: Nieuwezijds Antipsychiatrie in Nederland en PMT Vanaf de jaren zeventig neemt het aantal publicaties over lichaamsgerichte en bewegingsgerichte therapie sterk toe (de Lange, 2004). Dat had onder meer te maken met de professionalisering van de psychomotorische therapie, welke op haar beurt was ingebed in bredere ontwikkelingen die de psychiatrie en de GGZ in die jaren in hun greep hielden. Eén van die ontwikkelingen was de opkomst van de ‘ antipsychiatrie’ en de hiermee verbonden kritiek op de toenmalige medisch georiënteerde klinische psychiatrie. Over de opkomst en invloed van deze 'antipsychiatrie' in Nederland gaat het promotieonderzoek van historica Gemma Blok. 'Baas in eigen Brein' heet haar boek. Hieronder volgt een korte impressie van haar boek. In de komende editie van het Tijdschrift voor Psychomotorische Therapie (2005, 1) volgt een uitgebreidere bespreking, met meer aandacht voor de raakvlakken van de antipsychiatrie met de professionalisering van de psychomotorische therapie. Kern van de antipsychiatrie De periode van de kritische psychiatrie begint rond 1965 en loopt door tot halverwege de jaren tachtig. De kritiek richt zich vooral op de sterk medische georiënteerde klinische psychiatrie. Kern van de kritiek was het pleidooi voor meer individuele vrijheid en mogelijkheden tot zelfontplooiing. Deze ontbraken geheel bij de behandeling die destijds bestond uit een combinatie van de aloude actievere therapieën, een aantal somatische kuren zoals de elektroshocktherapie en, sinds de jaren vijftig, de eerste werkzame psychofarmaca. Niet alleen de aard van de behandeling werd bekritiseerd. Ook de organisatie van de behandeling kreeg het te verduren. De behandeling werd in hoofdzaak gedaan door psychiaters. De andere beroepsgroepen in de psychiatrische inrichting vervulden ondersteunende functies. De verpleegkundigen zorgen voor orde en reinheid van de afdelingen, de abc therapeuten zorgden er voor dat de patiënten buiten de afdelingen werden bezig gehouden en de psychologen namen vooral testen bij patiënten af. Patiënten speelden eigenlijk geen andere rol in de behandeling dan die van zieke. In dit alles ging verandering komen, door Blok samengevat met de termen vrijheid, gelijkheid en openheid. Geschiedschrijving vanuit de werkvloer Blok biedt met haar onderzoek een karaktertypering van de kritiek op de klinische psychiatrie in de jaren zeventig en tachtig en voorziet deze kritiek tevens van een context. Deze geschiedenis wordt niet alleen opgetekend aan de hand van geschriften van invloedrijke en beroemd geworden psychiaters, zoals Ronald Laing en Jan Foudraine. Zij brengt de ontwikkelingen in Nederland vooral in beeld vanuit de werkvloer, onder meer door middel van interviews met verpleegkundigen en psychologen. De opnameafdeling Conolly van het psychiatrisch ziekenhuis Brinkgreven dient als case study en wordt door middel van interviews en onderzoek van medische dossiers in beeld gebracht. Ook (ex) patiënten komen aan het woord, bijvoorbeeld via een forum als de Gekkenkrant. Daarnaast verdiept Blok zich in verschillende (maatschappelijke) actiegroepen die samen de psychiatrische tegenbeweging vormden. Dit alles is ingebed in de sociale processen die zich in de lange jaren zeventig in Nederland afspeelden. Grote namen krijgen pas een kans als vele onbekenden bereid zijn hun ideeën in de praktijk vorm te geven. En juist daarvoor heeft Blok veel belangstelling. Non-verbale communicatie Tijdens de antipsychiatrische periode werd tegenover het medische model een sociaal model van psychiatrie geplaatst, waarvan de psychotherapeutische gespreksvoering de kern vormde. Daarnaast werd in toenemende mate ook aan andere vormen van communicatie, van expressie zin ontleend en verleend. Die belangstelling voor non-verbale communicatie werd in Nederland onder meer gestimuleerd door de steeds populairder wordende groeigroepen die uit Amerika overkwamen naar ons land: de sensitivity-training, de encountergroepen, Gestalttherapie. Binnen deze trainingen was het gebruikelijk om ook non-verbale werkvormen te gebruiken, waarbij het lichaam soms een heel centrale rol werd toebedeeld (de Lange, 2004 ). De aandacht voor de non-verbale communicatie, het betrekkingsniveau, speelde ook een grote rol in de systeemtherapie, die in deze periode in Nederland zeer populair werd (Blok, 84). Vanuit diezelfde gezinstherapie werd ook belangrijk gevonden om de communicatie van mensen altijd in context te zien. Van ABC- therapie naar non-verbale therapie Die zoektocht naar de zin van de waanzin werd onder meer bewerkstelligd door de introductie van groepspsychotherapie. De bestaande arbeids,- bewegings- en creatieve therapie, tot aan de jaren zestig vooral gegeven binnen het kader van de actievere therapie, ondergingen zelf ook veranderingen. Binnen de actievere therapie waren de therapieën vooral gericht op activering en aanpassing aan maatschappelijke eisen. Maar binnen het kader van de kritische psychiatrie en de multidisciplinaire behandelprogramma’s gingen deze therapievormen in het teken staan van psychotherapeutische behandeling en persoonlijke groei (Blok, 144). Vanuit sociaal model en het psychotherapeutisch gedachtegoed werden deze vormen van therapie als nieuwe behandelcontexten beschouwd waarin, anders dan binnen de psychotherapie, de non-verbale expressie centraal stond. Eindpunt van de antipsychiatrie In vogelvlucht beschrijft Blok het eindpunt van de kritische psychiatrie vanaf de jaren tachtig. Er vormt zich een anti-antipsychiatrie, waarin psychiaters en familieleden van psychiatrische patiënten de handen ineen sloegen. De medische psychiatrie krijgt voet aan de grond. De nieuwe hypothese wordt dat aan psychiatrische stoornissen een (genetische) kwetsbaarheid ten grondslag ligt, die onder invloed van stress openbaar kan worden of kan verergeren. Het idee dat een schizofrene patiënt kan 'groeien' aan zijn psychose heeft plaats gemaakt voor het idee dat schizofrene patiënten moeten leren tijdig stress te herkennen zodat een psychose voorkomen kan worden. Baas over eigen lijf? Gemma Blok heeft deze veranderingen mooi beschreven. Er ontstaat een genuanceerd beeld van de antipsychiatrie, vooral van degenen die dit gedachtegoed op de werkvloer vorm gaven. Haar onderzoek beschrijft ook prachtig de context waarbinnen de psychomotorische therapie een belangrijke ontwikkeling doormaakte. Het hoogtepunt van de antipsychiatrie lag rond de jaren zeventig. Even een vergelijking met de geschiedenis van de PMT. Precies dertig jaar geleden, in 1975, veranderden de bewegingstherapeuten hun naam in psychomotorisch therapeut. In dat jaar, 1975, verscheen ook de eerste editie van het Tijdschrift voor Psychomotorische Therapie, die opende met een artikel over de Pesso Psychomotor therapie. Voor de psychomotorisch therapeut is het jammer dat Blok zich in haar onderzoek beperkt heeft tot interviews met verpleegkundigen, medici en psychologen. Bewegings- en creatief therapeuten komen niet aan het woord. De veranderingen die deze beroepsgroepen in de door onderzochte periode ondergingen komen in haar boek nauwelijks in beeld. De geschiedenis van de vaktherapie wacht nog op een eigen boek. Referenties Lange, J. de (2004). De oogst van een halve eeuw. Over lichaamsgerichte interventies in Nederlandse GGZ-tijdschriften, 1945-2001. In: J. Simons (red.). Actuele Themata uit de psychomotorische therapie. 203-235. Leuven: Acco. |
